Thijn Brummelkamp: ‘Het winnen van de Spinozapremie was een beleving’

26 mei 2026 10:30

Afgelopen week verschenen in het FD, door Susan Sjouwerman - Samen dingen uitpluizen, bij de koning op bezoek: wat maken professionals mee? Deze week: Thijn Brummelkamp (1975), wetenschappelijk directeur van het Nederlands Kanker Instituut (NKI).

Thijn Brummelkamp FD
"Tijdens die studie ontdekte ik hoe interessant ik de genetica vond. Je kunt er alles mee doen: zoals het aanpassen van een lettercode in een cel. Het is alsof je meeschrijft aan een groot receptenboek."

Foto: Studio Oostrum

Hoe werd uw interesse voor de wetenschap gewekt?

‘School vond ik niet leuk. Ik wilde iets bouwen. Ik weet nog dat mijn ouders zeiden dat ik het leren vast later veel leuker zou vinden, als ik een studie mocht kiezen. Dat werd biologie aan de Vrije Universiteit. En ja, ze hadden gelijk. Tijdens die studie ontdekte ik hoe interessant ik de genetica vond. Je kunt er alles mee doen: zoals het aanpassen van een lettercode in een cel. Het is alsof je meeschrijft aan een groot receptenboek.’

Een academische carrière was dus niet voorbestemd?

‘Nee. Mijn vader was huisarts, maar dat leek mij niets. De directe verantwoordelijkheid voor mensen vond ik te groot. Pas toen ik stage ging lopen bij het Nederlands Kanker Instituut, bij de internationale onderzoeksgroep van René Bernards (biomedisch geneticus, red.), dacht ik: hee, dit is

wat ik wil doen.’ ‘Uitzoeken hoe dingen écht werken is waar mijn affiniteit ligt. Het lab sprak mij ook aan. Het is erg leuk om samen moeilijke vragen uit te pluizen.’

Op welk moment gingen er voor het eerst deuren voor u open?

‘Tijdens mijn promotieonderzoek ontdekte ik de eerste methode om genen langdurig uit te schakelen. Die methode kon wereldwijd meteen door veel wetenschappers worden ingezet. Zelf waren we ook een hele stap verder: we konden beter in kaart brengen hoe DNA onze cellen aanstuurt. Ook de geneesmiddelenontwikkeling kon ermee aan de slag. Kort daarna werd ik gevraagd om een onderzoeksgroep op te zetten aan MIT, in Boston.’

Vorig jaar won u de Spinozapremie voor uw bijdrage aan de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen voor infectieziekten en kanker. Hoe heeft u dat ervaren?

‘Het voelde niet als de ultieme erkenning, zo zit ik er niet in. Ik denk vooral aan het onderzoek dat we doen. Het is heel mooi dat ik deze premie ontvangen heb – een bijzondere beleving, ik mocht bij de koning en de koningin op bezoek – maar in mijn dagelijks werk en leven verandert het niets.’

Heeft u niet een zekere sterrenstatus?

‘Vergeet het maar. Onderzoekers beoordelen elkaars werk kritisch, en ik word niet gespaard.’

Welke aspecten van werken in de wetenschap vindt u vervelend?

‘“Vervelend” is een te groot woord, maar ik zou het fijn vinden als er meer aandacht en ruimere financiering komt voor fundamenteel onderzoek. We zijn in Nederland heel goed in dit type onderzoek, maar het bedrijfsleven is minder geneigd het te sponsoren, want nieuwsgierigheidsonderzoek duurt lang en we weten niet wat we gaan ontdekken.’

U heeft twee biotechbedrijven opgericht. Hoe is het om te ondernemen naast uw wetenschappelijke werk?

‘Anderen bouwen op mijn onderzoek voort. Zo hoort het, maar soms wil je er zelf mee verder. Ondernemen is een andere manier van werken. Je bent minder vrij.’

Wat doet u om te ontspannen tussen de bedrijven door?

‘Ik ga graag kitesurfen. Als ik dat doe, ben ik even helemaal niet bezig met de wetenschap.’

Dit artikel is gemaakt door de redactie van FD Persoonlijk. Lees al onze verhalen op fd.nl/persoonlijk.

onload