Lever Percutane RFA



Inleiding

In verband met een ingreep wordt u binnenkort opgenomen in het Antoni van Leeuwenhoek. In dit document vindt u informatie over:

  1. De ingreep
  2. De periode voor de ingreep
  3. De periode na de ingreep
  4. Het ontslag
  5. Meer informatie

Het doel van dit document is om u en uw naasten te informeren over het te verwachten verloop van de opname, de ingreep en het ontslag. Wij moedigen u en uw naasten aan om deze informatie goed door te lezen, zodat uw herstel zo min mogelijk belemmerd wordt door onzekerheid en zorgen.

Het is goed u te realiseren dat uw persoonlijke situatie anders kan zijn dan beschreven. Het team van artsen, verpleegkundigen en andere disciplines dat u begeleidt, geeft u specifieke informatie over uw situatie. Wij raden u aan om altijd iemand mee te nemen naar de gesprekken met een zorgverlener. Deze schriftelijke informatie dient als aanvulling op de mondelinge informatie en als naslagwerk.

In dit document vindt u informatie over RFA (Radio Frequency Ablatio) van uitzaaiingen in de lever.


1. De ingreep

De interventie-radioloog heeft met u gesproken over Radio Frequency Ablation (ofwel RFA) in verband met uitzaaiingen in de lever. RFA is een minimaal invasieve methode, wat betekent dat de tumor wordt benaderd via een klein prikgaatje. Een speciale naald wordt onder echogeleide of op CT-scan tot midden in de tumor(en) in de lever gebracht. De naald is verbonden met een stroomgenerator. Door de elektrische wisselstroom die zo wordt toegediend ontstaat er verhitting waardoor de tumorcellen afsterven. Deze ingreep wordt percutaan verricht (dat wil zeggen door de huid van buitenaf aan te prikken). De ingreep duurt ongeveer anderhalf uur en vindt plaats met een ruggenprik verdoving of onder algehele narcose.

Mogelijke complicaties

Geen enkele ingreep is zonder risico’s. Er bestaat altijd een risico op trombose (een stolsel in het bloedvat), longontsteking, een nabloeding en wondinfectie. Bij deze ingreep bestaat er daarnaast een kans op een aantal andere complicaties. Hieronder worden de meest voorkomende of meest ingrijpende complicaties genoemd:

  • vochtophoping achter de longen of rond de lever;
  • abcesvorming in de lever en koorts;
  • leverfunctiestoornissen.

Door een groot aantal maatregelen rondom de ingreep doen wij er alles aan om de risico’s zo beperkt mogelijk te houden.

2. De periode voor de ingreep

Poliklinische voorbereiding: diagnostisch onderzoek

Ter voorbereiding op de ingreep zijn er een aantal onderzoeken noodzakelijk. De interventie-radioloog heeft u hierover geïnformeerd.

Poliklinische voorbereiding:

Op de polikliniek spreekt u verschillende medewerkers:

  • De interventie-radioloog is eindverantwoordelijk voor uw medische behandeling en zal het behandelplan met u bespreken. Vragen over de ingreep kunt u aan hem stellen.
  • De anesthesioloog heeft de regie over de narcose en pijnbestrijding. U ontvangt van hem of haar de informatiefolder “Voorbereiding op de operatie en informatie over de anesthesie”. De anesthesioloog vraagt naar uw medicijngebruik en geeft u instructie over uw medicijngebruik.
  • De verpleegkundige (VPK) informeert u telefonisch over de ingreep, de periode in het ziekenhuis en na het ontslag. U krijgt hiervoor een belafspraak. Wij vragen u voor deze afspraak dit document goed door te lezen zodat u gericht uw vragen kunt stellen. De verpleegkundige neemt met u de verpleegkundige anamnese door en bespreekt de klachten- en symptomenlijst (lastmeter). Hij of zij kan in overleg met u andere disciplines (zoals een maatschappelijk werker) inschakelen.

Dag van opname

U wordt op de dag van de ingreep opgenomen in het ziekenhuis. Op de dag van opname meldt u zich bij de receptie in de centrale hal. Eén van de gastdames of -heren brengt u naar de verpleegetage. Daar wordt u door een verpleegkundige naar uw kamer gebracht.

Op de dag van opname spreekt u verschillende medewerkers:

  • De verpleegkundige coördineert de zorg en biedt u ondersteuning en begeleiding gedurende uw verblijf op de afdeling. De verpleegkundige vertelt u welke premedicatie de anesthesioloog heeft voorgeschreven en vanaf welk tijdstip u niet meer mag eten en drinken. Ook hoort u van de verpleegkundige op welk tijdstip de ingreep is gepland; dit is een schatting.
  • De interventie-radioloog spreekt kort met u om na te gaan of u nog vragen heeft over de ingreep; dit gebeurt vlak voor de behandeling op de CT scan op de radiologie.
  • De afdelingsarts stelt zich op de hoogte van uw huidige gezondheidstoestand en verricht lichamelijk onderzoek. Tijdens uw opname stelt hij of zij zich op de hoogte van uw situatie tijdens de artsenronde en informeert u over het medische beleid. De afdelingsarts staat in nauw contact met de interventie-radioloog.

Dag van ingreep

Op de dag van de ingreep kunt u zich was­sen of dou­chen zoals u gewend bent. U wordt verzocht uw huid niet in te smeren met crème of lotion. U krijgt een operatiehemd van de verpleegkundige. Protheses (zoals een gebit), hulpmiddelen (zoals een bril of lenzen), sieraden, make-up en nagellak dient u te verwijderen voordat u naar de operatiekamer gaat. Als u een hoorapparaat heeft, kunt u deze inhouden.

Indien u dit met de anesthe­sioloog heeft afge­sproken krijgt u voor de ingreep een tablet, zodat u zich beter kunt ontspannen. De verpleegkundige brengt u naar de voorbereidingsruimte. Daar wordt u ontvangen door een medewerker van de holding. De daadwerkelijke ingreep vindt plaats op de afdeling radiologie.

Voor de ingreep krijgt u een infuus waardoor vocht wordt toegediend. Ook krijgt u een zeer dun ‘slangetje’ (epiduraalkatheter) in de rug aangebracht. Via dit ‘slangetje’ krijgt u tijdens en na de ingreep pijnbestrijding.

Er wordt een blaaskatheter ingebracht voor de afvloed van urine.

3. De periode na de ingreep

Na de ingreep blijft u enige tijd op de uitslaapkamer voordat u naar de verpleegafdeling gaat. Op de verpleegafdeling komt de afdelingsarts bij u langs om samen met u en met de verpleegkundige de voortgang van uw herstel te bespreken. De volgende ochtend komt de interventie-radioloog bij u langs om te beoordelen of u met ontslag kunt.

Vier weken na de ingreep wordt er een CT-scan gemaakt. Hierop is te zien of de behandeling het juiste effect heeft gehad. U krijgt aansluitend een afspraak bij de interventie-radioloog die de uitslag met u zal bespreken.

Katheters, lijnen en drains

Na de ingreep heeft u een aantal ‘slangen’:

  • Een infuus voor vocht- en medicatietoediening. Dit infuus bevindt zich doorgaans in een ader in de arm. Zodra de epiduraalkatheter is gestopt en u geen medicatie via het infuus nodig heeft, wordt het infuus verwijderd.
  • Een slangetje in de neus voor de toediening van extra zuurstof. Meestal is het toedienen van extra zuurstof alleen nodig in de eerste 24 uur na de ingreep.
  • Een epiduraalkatheter. Dit is een dun slangetje in de rug waardoor u pijnmedicatie krijgt toegediend. De medicatie die u via de epiduraalkatheter krijgt wordt afgebouwd en gestopt op geleide van uw pijnklachten en herstel. De medicatie wordt de volgende ochtend om 06.00 uur gestopt; de epiduraal katheter wordt 4 uur later verwijderd.
  • Een blaaskatheter voor de afvloed van urine. De blaaskatheter wordt om 08.00 uur verwijderd.

Pijn

Goede pijnbestrijding is belangrijk om goed door te kunnen ademen, te hoesten, te bewegen in bed en uit bed te komen. Dit is van belang voor uw herstel. Als u pijn heeft, is het belangrijk dat u dit aangeeft.

De verpleegkundige zal u twee tot drie maal per dag vragen om uw pijn te omschrijven met een cijfer van 0 tot 10.

Naast pijnbestrijding via de epiduraalkatheter krijgt u tabletten en/of zetpillen tegen de pijn.

Misselijkheid

Misselijkheid na de ingreep kan voorkomen door de ingreep zelf of door een verdovingsmiddel in de epiduraal katheter. Als u misselijk bent, is het belangrijk dat u dit aangeeft. De verpleegkundige kan u medicijnen geven om misselijkheid tegen te gaan.

Wond

De wondjes (prikgaatjes van de RFA naald) kunt u laten drogen aan de lucht.

Mobiliteit en fysieke activiteit

Op de dag van de ingreep mag u uit bed. Dit is zeer belangrijk voor uw herstel en het voorkomen van complicaties zoals trombose, longontsteking en een vertraagde stoelgang.

U zult merken dat de activiteiten die voor de ingreep vanzelfsprekend waren, nu meer inspanning kosten.

U zult uw energie moeten verdelen over de dag.

Stoelgang

Na de operatie functioneren de maag en darmen tijdelijk minder goed. Hierdoor kunt u misselijk zijn en kan de stoelgang vertraagd zijn. Het duurt een paar dagen voor de maag en de darmen weer op gang komen en u weer ontlasting heeft. Het gebruik van vezelrijke voeding en voldoende vocht stimuleert de darmwerking.

Voeding

Uw eetlust kan de eerste periode na de ingreep verminderd zijn. Voor uw herstel en een optimale wondgenezing is het van belang dat uw voeding voldoende calorieën, eiwitten en vitaminen bevat.

Ademhaling
Om de functie van de longen zo optimaal mogelijk te houden is de zorg voor de ademhaling van groot belang. Een optimale longfunctie wordt onder andere bereikt door:

  • regelmatig uit bed te gaan en te bewegen;
  • goede pijnbestrijding;
  • ademhalingsoefeningen;
  • het ophoesten van slijm;
  • halfzittende houding in bed;
  • niet te roken.

Wisselend verloop
Tijdens uw opname zult u merken dat u zich de ene dag beter voelt dan de andere dag. Dit kan zowel op lichamelijk als op emotioneel gebied zijn. De verpleegkundige kan u hierin ondersteuning bieden.

Daarnaast kunt u gebruik maken van de medewerkers van het Centrum voor Kwaliteit van Leven (CKvL). Bij het CKvL werken diverse deskundigen die u en uw naasten psychosociale ondersteuning kunnen bieden. Uw verpleegkundige kan u in contact brengen met het CKvL.

4. Het ontslag

Het moment van ontslag is afhankelijk van uw herstel en zelfstandigheid. Over het algemeen kunt u de dag na de ingreep het ziekenhuis verlaten.

De verpleegkundige voert een ontslaggesprek met u en, als u dat wilt, uw naaste. Tijdens het gesprek wordt teruggekeken op uw verblijf in het ziekenhuis en wordt u voorbereid op de periode die zal volgen na ontslag.

Bij ontslag krijgt u een afspraak mee voor het maken van een CT-scan en poliklinische controle bij de interventie-radioloog. Via een brief zal de arts uw huisarts op de hoogte stellen van de ingreep, het verloop van herstel tijdens de ziekenhuisopname en de eventuele vervolgbehandeling.

De periode na het ontslag

Na het ontslag uit het ziekenhuis kunt u uw dagelijkse activiteiten weer geleidelijk uitbreiden tot uw normale niveau. Zorg daarbij voor een dagritme waarbij na activiteiten rustmomenten worden ingelast. Het is moeilijk aan te geven wanneer u weer helemaal van de ingreep bent hersteld. Dit hangt af van de grootte en de complexiteit van de ingreep, uw conditie en eventuele voor- of nabehandeling.

Wij willen u graag een aantal adviezen meegeven.

Pijn
De pijnstillers die u tijdens de opname in het ziekenhuis gebruikte, kunt u thuis afbouwen op geleide van uw pijnklachten. Het is verstandig om de pijnstillers zo in te nemen, dat u diep kunt doorademen en nagenoeg pijnvrij kunt hoesten.

U kunt het volgende schema volgen:

  • Verminder en stop eerst de Ibuprofen. U kunt stoppen met het gebruik van Pantozol (maagbeschermer) zodra u bent gestopt met Ibuprofen.
  • Blijf Paracetamol drie tot viermaal daags 500 -1000 mg als basis gebruiken. Paracetamol kunt u afbouwen door de middaginname over te slaan. Daarna kunt u twee maal daags 500 mg innemen en vervolgens stoppen.

Wond
De wondjes (prikgaatjes van de RFA naald) kunt u laten drogen aan de lucht.

Stoelgang
In de periode na de ingreep kan de stoelgang anders zijn dan u gewend was voor de ingreep. Het kan enige tijd duren totdat dit weer normaal is.

Voeding

U hoeft geen dieet te volgen, tenzij anders is afgesproken.

Vermoeidheid
U kunt lange tijd last houden van vermoeidheid. Een verklaring van de vermoeidheid is er niet altijd. Het is een duidelijk signaal van het lichaam dat er een grote rust/slaapbehoefte is. Het is zinvol uw energie te verdelen over de activiteiten die voor u van belang zijn en regelmatig rust in te bouwen.

Activiteit
Regelmatige lichaamsbeweging is belangrijk voor de opbouw van uw conditie. Er bestaan verschillende mogelijkheden met betrekking tot revalidatie. Voor meer informatie over nazorg en revalidatie kunt u terecht bij het Centrum Patiënteninformatie.

Werkhervatting
Wanneer u weer kunt werken is afhankelijk van de aard van uw werkzaamheden en van uw individuele situatie. Het is zinvol met uw behandelend arts en met uw bedrijfsarts te overleggen wanneer u uw werk kunt hervatten. Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u terecht bij het Centrum Patiënteninformatie in de centrale hal van het ziekenhuis.

Seksualiteit en intimiteit
Er zijn geen medische bezwaren om uw seksuele gewoontes van voor de operatie weer op te pakken.

De diagnose en behandeling van kanker kunnen veel veranderen in uw leven en dat van uw partner. Ook het lichaamsbeeld en de lichaamsbeleving kunnen door de behandeling veranderen. Als u vragen of twijfels heeft op het gebied van intimiteit en seksualiteit kunt u terecht bij de medewerkers van de polikliniek Intimiteit, Seksualiteit en kanker. Zij hebben ervaring in het bespreken van problemen op dit gebied.

Concentratie
Door narcose, medicijngebruik en de emoties rondom de ingreep kunnen uw concentratie, geheugen en beoordelingsvermogen tijdelijk verminderd zijn. Houdt u hiermee rekening als u deelneemt aan het verkeer.

Verwerking
Binnen het Centrum voor Kwaliteit van Leven (CKvL) werkt een scala aan hulpverleners zoals maatschappelijk werkers, geestelijke verzorgers, creatief therapeuten.

Zij hebben veel ervaring met, en weten veel over, het omgaan met kanker. Zij helpen u bij het zoeken naar antwoorden op uw vragen. De hulpverleners bieden inzicht en handvatten voor het omgaan met de ziekte, de behandeling en de beperkingen die dat met zich mee kan brengen. Ook tijdens de herstelperiode na een behandeling kunnen zij ondersteuning bieden. Daarnaast kunnen zij bemiddelen en adviseren bij verwijzing naar andere instanties buiten het ziekenhuis.

Contact met het ziekenhuis

Neem contact op met het ziekenhuis als u onderstaande lichamelijke problemen ervaart:

  • temperatuursverhoging boven de 38,5 graden Celsius;
  • aanhoudende pijn in het wondgebied die niet met pijnstillers onder controle te krijgen is;
  • andere aan de behandeling gerelateerde problemen.

Neemt u bij voorkeur via het algemene telefoonnummer van het Antoni van Leeuwenhoek 020 512 9111, contact op met de polikliniek.


Voor algemene klachten verzoeken wij u eerst contact op te nemen met de huisarts.

5. Meer informatie


De zorgverleners en afdelingen van het Antoni van Leeuwenhoek zijn telefonisch bereikbaar via het algemene telefoonnummer van het ziekenhuis 020 512 9111.
Buiten kantooruren kunt u vragen naar het Weekend-, Avond-, of Nachthoofd.
Indien u contact opneemt met het ziekenhuis houdt u dan uw patiëntengegevens bij de hand.

Juli 2014

Praktische informatie

Contact

Ons algemene nummer is 020 512 9111. Onze telefonisten verbinden u graag door met de juiste afdeling.

Voor dringende zaken buiten kantooruren kunt u vragen naar het Weekend-, Avond- of Nachthoofd. Bel bij medische spoed altijd 112. Voor andere vragen verzoeken wij u te wachten tot de volgende werkdag.

Centrum Patiënteninformatie

Wilt u meer informatie omdat u of een naaste te maken heeft met kanker? Onze medewerkers denken graag met u mee. U kunt bellen of zonder afspraak binnenlopen.

Lees meer over het Centrum Patiënteninformatie

Centrum voor Kwaliteit van Leven

Heeft u behoefte aan professionele steun tijdens en na uw behandeling? Dan kunt u een afspraak maken bij ons centrum via uw behandelaar.

Lees meer over het Centrum voor Kwaliteit van Leven

Route & adres

U vindt meer praktische informatie over uw bezoek, de route & parkeren, onze bezoektijden en voorzieningen en diensten op onze website.

Praktische informatie

onload