maagoperaties

Inleiding

In verband met de operatie wordt u binnenkort opgenomen in het Antoni van Leeuwenhoek. In dit document vindt u informatie over:

  1. De operatie
  2. De periode voor de operatie
  3. De periode na de operatie
  4. Het ontslag

Het doel van dit document is om u en uw naasten te informeren over het te verwachten verloop van de opname, de operatie en het ontslag. Wij verzoeken u deze schriftelijke informatie goed door te lezen voorafgaand aan uw afspraken en uw eventuele vragen te noteren.

Het team van artsen, verpleegkundig specialisten, verpleegkundigen, fysiotherapeuten, diëtisten en andere disciplines dat u begeleidt, geeft u specifieke informatie over uw situatie. Wij raden u aan om altijd iemand mee te nemen naar de gesprekken met een zorgverlener. Deze schriftelijke informatie dient als aanvulling op de mondelinge informatie en als naslagwerk. Extra informatie over de functie van de maag, de operatie, voeding en voedingsadviezen en fysiotherapie kunt in de bijlage lezen aan het einde van dit document.

1. De operatie

Operatie vanwege maagkanker

Een maagoperatie is gericht op genezing (curatief). De operatie wordt vaak gecombineerd met andere behandelingen zoals chemotherapie of radiotherapie.

Afhankelijk van de grootte, de plaats en het soort maagtumor wordt gekozen voor een totale maagresectie (verwijdering) of een subtotale (gedeeltelijke) maagresectie. Vaak worden ook de lymfeklieren verwijderd.

Wanneer genezing niet meer mogelijk is, wordt soms een operatie uitgevoerd om bijvoorbeeld voedsel passageklachten te verhelpen. De operatie is dan palliatief. Bij de operatie wordt óf een beperkt deel van de maag verwijderd, óf alleen een overloop van maag naar dunne darm aangelegd.

Een zeldzame reden voor een totale maagresectie is het voorkómen van maagkanker bij patiënten met een genmutatie.

Mogelijke complicaties

Geen enkele operatie is zonder risico’s. Er bestaat altijd een risico op trombose (een stolsel in het bloedvat), longontsteking en wondinfectie. Daarnaast bestaat bij deze operatie ook kans op een aantal andere complicaties. Hieronder worden de meest voorkomende of meest ingrijpende complicaties genoemd:

Longontsteking

Een veel voorkomende complicatie na een grote operatie is het optreden van een longontsteking. Dit risico kan verminderd worden door na de operatie snel te mobiliseren (zitten, staan, lopen) en goed door te ademen en te hoesten (met behulp van fysiotherapie). Hierbij is goede pijnbestrijding van belang.

Complicaties van het hart en de bloedsomloop

Tijdens en na de operatie kunnen zich hartritmestoornissen voordoen. Met medicijnen is dat te behandelen. Het risico op een hartinfarct hangt af van de hartfunctie voor de operatie. Dit geldt ook voor problemen met de bloedsomloop na de operatie. Plasmedicijnen of juist extra vochttoediening zijn dan nodig voor een goede vochtbalans.

Wondinfectie

Wondinfecties zijn goed te behandelen. Het komt voor dat een wondinfectie ontstaat waarvoor het nodig is de wond (deels) te openen en/of antibiotica te geven.

Naadlekkage na een maagoperatie

De nieuwe verbinding (anastomose) die gemaakt wordt heeft tijd nodig om te genezen. Afhankelijk van het type operatie wordt besloten hoe snel u mag opstarten met eten en drinken na de operatie. De chirurg, verpleegkundig specialist en oncologieverpleegkundige zullen dit met u bespreken.

Wanneer een lekkage optreedt kan dit op verschillende manieren worden behandeld. Het kan zijn dat het plaatsen van een drain of een stent bij de lekkage zinvol is. In zeldzame gevallen is een nieuwe operatie nodig.

Zeldzame complicaties

  • De kans op een ernstige bloeding tijdens de operatie is klein. Zelden is het nodig om een bloedtransfusie te geven.
  • Bij aanhoudend (te veel) lekkage van lymfevocht na de operatie spreekt men van chyluslekkage. Meestal is een aanpassing van het dieet afdoende om dit te behandelen. Soms is het nodig om tijdelijk over te gaan op intraveneuze (via een infuus) voeding en zelden is een interventie noodzakelijk.
  • Andere complicaties zijn trombose en longembolie. Alle patiënten krijgen ter preventie een anti-trombosemiddel toegediend.

De risico’s op een complicatie zijn ook verhoogd bij andere aandoeningen zoals diabetes, hart- en vaatziekten. Ook het continueren van roken en alcoholgebruik, ondervoeding en bestraling in het verleden vergroten het risico op complicaties. Door een groot aantal maatregelen rondom de operatie doen wij er alles aan om de risico’s zo beperkt mogelijk te houden.

Het weefselonderzoek

Het weefsel dat tijdens de operatie wordt weggenomen, wordt door de patholoog onderzocht. Het weefselonderzoek duurt zeven tot tien werkdagen. De uitslag wordt zo mogelijk tijdens uw opname in het ziekenhuis, met u en uw naasten besproken.

Als u ontslagen wordt vóórdat de uitslag van het onderzoek bekend is, dan krijgt u de uitslag op de polikliniek. Er wordt dan bij uw ontslag een afspraak gemaakt.

Soms blijkt tijdens de operatie dat het plan aangepast moet worden. Wanneer onverwachte afwijkingen worden vastgesteld, zal meestal een stukje weefsel of wat buikvocht worden afgenomen voor snelonderzoek. De uitslag van dit onderzoek is dan bepalend voor het vervolg van de operatie. Wanneer verwijdering van de tumor niet mogelijk of niet zinvol blijkt te zijn wordt de operatie óf beëindigd, óf er wordt gekozen voor een ander soort operatie.

Ondanks alle onderzoeken voorafgaande aan de operatie zijn bovenstaande situaties soms niet te vermijden. Na de operatie wordt er precies verteld wat er gezien en gedaan is. U contactpersoon wordt direct na de operatie gebeld.

2. De periode voor de operatie

Poliklinische voorbereiding: diagnostisch onderzoek

Ter voorbereiding op de operatie is een aantal onderzoeken noodzakelijk. De chirurg en de verpleegkundig specialist zal u hierover informeren.

Poliklinische voorbereiding: medewerkers

Op de polikliniek spreekt u verschillende medewerkers:

  • De chirurg is samen met de verpleegkundig specialist eindverantwoordelijk voor uw chirurgische medische behandeling en zal het behandelplan met u bespreken. Vragen over de operatie kunt u aan hem of haar stellen. De verpleegkundig specialist is uw vaste contactpersoon.
  • De anesthesioloog heeft de regie over de narcose en pijnbestrijding. De anesthesioloog vraagt naar uw medicijngebruik en geeft u instructie welke medicijnen er wanneer gestopt moeten worden. Indien u na de operatie ter observatie op de Intensive Care wordt opgenomen is de anesthesioloog gedurende uw verblijf op de Intensive Care de behandelend arts.
  • De (bel) afspraak met de oncologieverpleegkundige op de polikliniek dient ter voorbereiding op de opname. De verpleegkundige neemt met u de verpleegkundige anamnese en de lastmeter door. U heeft gelegenheid om vragen te stellen en er wordt aanvullende informatie gegeven. De verpleegkundige zal u ook voorbereiden op het naar huis gaan met sondevoeding indien dat het geval is.
  • De diëtist informeert u over hoe u uw voedingstoestand kunt behouden of verbeteren. Ook krijgt u informatie over wat u kunt verwachten aan voedingsproblemen in de periode na de operatie. Zo nodig wordt reeds in het voortraject met drinkvoeding gestart of een voedingssonde geplaatst om uw conditie op peil te houden of te verbeteren. Na de operatie begeleidt de diëtist u bij het opbouwen van de orale voeding en het afbouwen van de sondevoeding, deze begeleiding is zowel tijdens opname als na ontslag. Meer informatie hierover vindt u in de bijlagen.
  • De fysiotherapeut geeft u informatie over het handhaven en/of opbouwen van uw conditie voor de operatie en over het mobiliseren na de operatie. Meer informatie hierover vindt u in de bijlagen.
  • Zo nodig wordt de longarts en/of de cardioloog (hartspecialist) gevraagd om mee te beoordelen of uw operatierisico verhoogd is en of specifieke maatregelen rondom de operatie nodig zijn. Soms zijn extra onderzoeken nodig, zoals een longfunctieonderzoek, of een inspanningstest.

De Stoppen met Roken Poli

Na een operatie is er altijd sprake van een wondgebied (inwendig en uitwendig). Uit onderzoek is gebleken dat de wondgenezing veel beter verloopt als u niet rookt. Daarnaast is de kans op het krijgen van een longontsteking groter als u rookt. Daarom is het van groot belang om te stoppen met roken voor de operatie om een zo goed mogelijk beloop van de behandeling te bewerkstelligen.

Het verslavende effect van nicotine kan het stoppen moeilijk maken. U kunt het beste stoppen met roken vóór de operatie. De verpleegkundigen van de Stoppen met Roken poli van het Antoni van Leeuwenhoek kunnen u daarbij ondersteunen.

Zij bieden u een gespecialiseerd begeleidingstraject, waarbij de nadruk op gewoonte-verandering ligt. Vraag uw verpleegkundig specialist om meer informatie. Wilt u hulp hebben in verband met alcoholgebruik, dan kunt u zich het beste wenden tot uw huisarts.

Voeding

Kanker kan veel van uw lichaam vergen. Wanneer u in een goede conditie verkeert kunt u de behandeling doorgaans goed aan en herstelt u sneller. Voeding en beweging spelen een belangrijke rol bij het in stand houden of opbouwen van uw conditie. Uw behoefte aan energie en eiwitten is verhoogd terwijl de inname van voeding door klachten bemoeilijkt kan zijn. Zie voor meer informatie de website voedingenkankerinfo.nl.

Dag van opname

  • Op de dag van opname meldt u zich bij de receptie in de centrale hal. Eén van de gastvrouwen of -heren brengt u naar de afdeling. Tijdens uw verblijf op de afdeling coördineert de verpleegkundige de zorg en biedt ondersteuning en begeleiding.
  • Er zal nog bloed worden afgenomen ter voorbereiding op de operatie.

Op de dag van de operatie kunt u zich wassen of douchen zoals u gewend bent. U wordt verzocht uw huid niet in te smeren met crème of lotion. U krijgt een operatiehemd van de verpleegkundige. Protheses (zoals een gebit), hulpmiddelen (zoals een bril of lenzen), sieraden, make-up en nagellak dient u te verwijderen voordat u naar de operatiekamer gaat. Als u een hoorapparaat heeft, kunt u deze inhouden.

Indien u dit met de anesthesioloog heeft afgesproken krijgt u voor de operatie een medicijn, zodat u zich beter kunt ontspannen. De verpleegkundige brengt u naar de voorbereidingsruimte van de operatiekamer. Daar wordt u ontvangen door een medewerker van de operatiekamer.

De chirurg komt bij u langs om te informeren of u nog vragen heeft. Dit vindt meestal plaats op het operatiecomplex vlak voordat u onder narcose gaat.

Voor de operatie krijgt u een infuus waardoor de medicijnen voor de narcose worden toegediend. Ook krijgt u een zeer dun ‘slangetje’ (epiduraalkatheter) in de rug aangebracht. Via dit ‘slangetje’ krijgt u tijdens en na de operatie pijnbestrijding. Er wordt een blaaskatheter ingebracht voor de afvloed van urine.

3. De periode na de operatie

Na de operatie blijft u mogelijk 1 dag op de intensive care, waar de anesthesioloog verantwoordelijk is voor de medische behandeling en controles. Hij of zij beoordeelt samen met de chirurg wanneer u terug gaat naar de verpleegafdeling.

Op de verpleegafdeling komt de afdelingsarts elke dag bij u langs om samen met u en met de verpleegkundige de voortgang van uw herstel te bespreken. Tijdens deze visite worden nieuwe afspraken gemaakt en wordt er gekeken naar een ontslagdatum. De afdelingsarts spreekt met de chirurg over het verloop van uw herstel. De chirurg komt ook regelmatig bij u langs.

Katheters, lijnen en drains

Na de operatie heeft u mogelijk een aantal ‘slangen’:

  • Een infuus voor vocht- en medicatietoediening. Zodra u in staat bent voldoende te drinken en geen medicatie via het infuus nodig heeft, wordt het infuus verwijderd.
  • Een slangetje in de neus voor de toediening van extra zuurstof. Meestal is het toedienen van extra zuurstof alleen nodig in de eerste 24 uur na de operatie.
  • Een epiduraalkatheter. Dit is een dun slangetje in de rug waardoor u pijnmedicatie krijgt toegediend.
  • De medicatie die u via de epiduraalkatheter krijgt wordt meestal na enkele dagen gestopt. Zodra deze medicatie is gestopt, wordt de katheter verwijderd. Dit is gemiddeld na drie tot vijf dagen.
  • Een blaaskatheter voor de afvloed van urine. De blaaskatheter wordt verwijderd zodra de medicatie via de epiduraalkatheter is gestopt.
  • Een of meerdere wonddrains uit het operatiegebied voor de afvloed van wondvocht. Afhankelijk van de hoeveelheid wondvocht wordt deze verwijderd.
  • Een sonde via de neus in de maag/darm voor de afvloed van maag/darm sappen. Deze wordt in principe de dag na de operatie verwijderd.
  • Een voedingssonde via de buik naar de dunne darm (jejunostomie) voor het toedienen van sondevoeding. Deze krijgt u meestal niet na een gedeeltelijke verwijdering van de maag. Via de jejunostomie kan direct na de operatie gestart worden met voeding. U gaat met deze voedingssonde naar huis. U ontvangt de folder ‘jejunostomiesonde’ met praktische informatie voor thuis.

Pijn

Goede pijnbestrijding is belangrijk om goed door te kunnen ademen, te hoesten, te bewegen en in - en uit bed te komen. Als u pijn heeft, is het belangrijk dat u dit aangeeft. Door pijnmedicatie op vaste tijden te gebruiken, wordt er in uw bloed een spiegel van de werkzame stof opgebouwd. Hierdoor is de pijnmedicatie effectiever. De verpleegkundige zal u driemaal per dag vragen om uw pijn te omschrijven met een cijfer van 0 tot 10. Naast pijnbestrijding via de epiduraalkatheter krijgt u tabletten en/of zetpillen tegen de pijn.

Misselijkheid

Misselijkheid na de operatie komt regelmatig voor. Misselijkheid kan worden veroorzaakt door de narcose en door de operatie zelf. Als u misselijk bent, is het belangrijk dat u dit aangeeft. De verpleegkundige kan u medicijnen geven om misselijkheid tegen te gaan.

Wond

De verpleegkundige inspecteert dagelijks de wond en verbindt deze zo nodig. Vaak wordt de wond onderhuids gehecht, deze hechtingen lossen vanzelf op. Het gevoel van de huid rondom het litteken is na de operatie vaak veranderd. Dit gevoel kan nog lang aanhouden, maar herstelt zich over het algemeen wel. Soms kan het gevoel ook verminderd blijven.

Mobiele en fysieke activiteit

U moet na de operatie direct uit bed. Dit is zeer belangrijk voor uw herstel en het voorkomen van complicaties zoals trombose, longontsteking en een vertraagde stoelgang. Om trombose (bloedprop in het bloedvat) te voorkomen krijgt u na de operatie dagelijks een injectie in uw buik of bovenbeen. Dit wordt gestopt als u naar huis gaat.

U zult merken dat de activiteiten die voor de operatie vanzelfsprekend waren, nu meer inspanning kosten. U zult uw energie moeten verdelen over de dag. Door de wond en de aanwezigheid van een aantal ‘slangen’ wordt u weliswaar beperkt in uw bewegingsvrijheid, maar al direct na de operatie is het verstandig om uit bed te komen. Onder begeleiding van de verpleegkundige en/of fysiotherapeut zult u in de dagen die volgen toenemend zelfstandig worden.

U zult steeds vaker en langer uit bed komen. Het streven is dat u de eerste dag drie keer minimaal vijftien minuten uit bed komt en u zich op de rand van het bed verzorgt. De tweede dag na de operatie komt u ten minste vier keer uit bed, waarbij u een half uur op een stoel zit en ook onder begeleiding een rondje over de gang loopt. De derde dag kunt u zich, eventueel met hulp douchen. U zit deze dag minstens vier keer een uur op de stoel en loopt drie keer op de gang. Vanaf de vierde dag na de operatie verzorgt u zich zoveel mogelijk zelfstandig en komt u zoveel mogelijk uit bed. Dit plan is een gemiddeld plan en kan leiden tot ontslag uit het ziekenhuis binnen één week; afhankelijk van uw situatie kan het plan sneller of langzamer verlopen. De verpleegkundige zal dagelijks met u het plan op grond van uw situatie afspreken.

Ademhaling

Om de functie van de longen zo optimaal mogelijk te houden is de zorg voor de ademhaling van groot belang. Een optimale longfunctie wordt onder andere bereikt door:

  • regelmatig uit bed te gaan en te bewegen;
  • goede pijnbestrijding;
  • ademhalingsoefeningen;
  • het ophoesten van slijm;
  • halfzittende houding in bed;
  • niet te roken.

Mondverzorging

Als u niet mag eten en drinken is mondverzorging extra belangrijk.

Een droge mond kan een bron van infectie zijn. U mag uw mond spoelen met water en NaCl (zout water). U kunt 2 keer per dag uw tanden en tong poetsen.

Voeding

Afhankelijk van het soort maagoperatie wordt bepaald hoe en wanneer u weer mag gaan eten.

Indien u een voedingssonde geplaatst heeft gekregen tijdens de operatie, wordt direct na de operatie gestart met voeding via de sonde in de dunne darm. Onder begeleiding van de diëtiste wordt er gestart met het uitbreiden van de normale voeding. Naarmate de normale voeding kan worden uitgebreid wordt de sondevoeding afgebouwd. U gaat met sondevoeding naar huis.

Het is mogelijk om op YouTube alvast een instructievideo over het gebruik van sondevoeding thuis te bekijken.

Dit kunt u op YouTube vinden onder: Nutricia Flocare Infinity

In het ziekenhuis wordt na de operatie begonnen met het aanleren van het zelf toedienen van de sondevoeding via de voedingspomp en eventueel de medicatie toedienen via de voedingssonde.

Indien gewenst betrekken we uw familie hier ook bij.

U ontvangt ook de folder ‘jejunostomiesonde’ met praktische informatie en hulp voor thuis.

Stoelgang

Na de operatie functioneert het darmstelsel tijdelijk minder goed. Het duurt een paar dagen voor de darmen weer op gang komen en u weer ontlasting heeft. Dit kan gepaard gaan met misselijkheid en krampen. Als het nodig is schrijft de afdelingsarts medicijnen voor om de stoelgang op gang te brengen.

Wisselend verloop

Tijdens uw opname zult u merken dat u zich de ene dag beter voelt dan de andere dag. Dit kan zowel op lichamelijk als op emotioneel gebied zijn. De verpleegkundige kan u hierin ondersteuning bieden.

Daarnaast kunt u gebruik maken van de medewerkers van het Centrum voor Kwaliteit van Leven (CKvL). Bij het CKvL werken deskundigen die u psychosociale ondersteuning kunnen bieden. Dit kunt u bespreken met de verpleegkundige of de verpleegkundig specialist.

4.Het ontslag

Het moment van ontslag is afhankelijk van uw herstel en zelfstandigheid. U kunt in het geval van een subtotale maagoperatie meestal na ca. vier tot zes dagen naar huis en na een totale maagoperatie na ca. zes tot acht dagen. U verlaat op de dag van ontslag tussen 10.00-10.30 uur het ziekenhuis. Dit in verband met de planning van patiënten die na u opgenomen worden.

Mogelijk heeft u na ontslag uit het ziekenhuis nog zorg nodig. Bespreek dit tijdig met uw verpleegkundige en behandelend arts.

De verpleegkundige voert een ontslaggesprek met u en, als u dat wilt, uw naaste. Tijdens het gesprek wordt teruggekeken op uw verblijf in het ziekenhuis en wordt u voorbereid op de periode die zal volgen na ontslag.

Bij ontslag krijgt u een afspraak mee voor poliklinische controle bij de verpleegkundig specialist, chirurg en diëtist. De afdelingsarts zal uw huisarts op de hoogte stellen van de operatie, het verloop van herstel tijdens de ziekenhuisopname en de eventuele vervolgbehandeling.

De periode na het ontslag

Na het ontslag uit het ziekenhuis kunt u uw dagelijkse activiteiten weer geleidelijk uitbreiden tot uw normale niveau. Zorg daarbij voor een dagritme waarbij na activiteiten rustmomenten worden ingelast. Het is moeilijk aan te geven wanneer u weer helemaal van de operatie bent hersteld. Dit hangt af van de grootte en de complexiteit van de operatie, uw conditie en eventuele voor- of nabehandeling.

Wij willen u een aantal adviezen meegeven.

Pijn

De pijnstillers die u tijdens de opname in het ziekenhuis gebruikte, kunt u thuis afbouwen op geleide van uw pijnklachten. Het is verstandig om de pijnstillers zo in te nemen, dat u diep kunt doorademen en nagenoeg pijnvrij kunt hoesten.

Medicatie

  • Als u naar huis gaat terwijl u nog niet mag eten of drinken is het aan te raden om de medicatie waar mogelijk als zetpil te gebruiken. Uw voedingssonde kan snel verstopt raken door de medicijnen en dat wordt zo voorkomen. Als u eigen medicatie gebruikt wordt samen met de arts en verpleegkundige bekeken wat in uw geval het handigst is. In voorkomende gevallen wordt uw eigen medicatie omgezet naar een vervanger die goed op te lossen is.
  • De meeste medicatie lost goed op in warm water zodat u geen maler hoeft aan te schaffen.

Wond

U hoeft de wond geen speciale verzorging te geven. Als de wond gesloten is, kunt u douchen. In principe kan dat een dag na de operatie al. Na 2 a 3 weken kunt u weer in bad gaan. Dep de wond na afloop droog. U mag, als u dat wilt, na 2 weken het litteken gaan insmeren met littekencrème/vitamine E crème.

Als de wond nog open is op het moment dat u naar huis gaat, krijgt u voor uw ontslag uitleg en instructie van de verpleegkundige of wondverpleegkundige over de verzorging van de wond. Indien nodig wordt ondersteuning van de wijkverpleegkundige bij de wondzorg geregeld.

Soms gaat een wond ontsteken. U moet daarom de wond dagelijks bekijken. Neem contact op met het ziekenhuis als één van onderstaande verschijnselen optreedt:

  • De huid rond de wond wordt vurig rood, warm of gezwollen;
  • U heeft toenemende pijn aan de wond;
  • Er komt pus uit de wond;
  • U heeft temperatuursverhoging (boven 38,5 graden Celsius).

Stoelgang

In de periode na de operatie kan de stoelgang anders zijn dan u gewend was voor de operatie. Het kan enige tijd duren totdat dit weer normaal is.

Voeding

De ervaring leert dat patiënten in de periode na de operatie tijd nodig hebben te wennen aan een andere manier van eten in verband met de veranderde anatomie. Tegelijk heeft u als gevolg van de operatie een verhoogde behoefte aan energie en eiwitten. Het zal door een combinatie van factoren een uitdaging zijn om aan deze verhoogde behoefte te voldoen. Een van de belangrijkste adviezen die u van de diëtist zult krijgen is dat u uw eetpatroon zult moeten indelen naar minimaal 6-8 keer per dag een kleine maaltijd, dit vraagt in de meeste gevallen om een gedragsverandering die tijd kost. Meer informatie vindt u in de bijlage.

Jejunostomie (voedingssonde)

De insteekopening van de voedingssonde in de buik kan op den duur klachten geven, zoals pijn, roodheid en afvloed van pussig vocht. Vaak helpt het om een paar dagen deze insteekopening niet af te plakken met een (vlinder) pleister, maar dagelijks uit te spoelen onder de douche en te verbinden met een droog gaas. Als de klachten blijven bestaan, neemt u dan contact op met uw verpleegkundig specialist of de huisarts. De voedingssonde wordt pas verwijderd wanneer u enige weken op gewicht blijft zonder sondevoeding. Indien u wordt nabehandeld, wordt de voedingssonde tijdens deze behandelperiode bij voorkeur ingelaten. Het verwijderen van de sonde is een poliklinische handeling. Ook kan dit aan de huisarts gevraagd worden.

Mocht de sonde uitvallen, terwijl u deze nog gebruikt, neem dan dezelfde dag contact op met het ziekenhuis. Binnen enkele uren is de sonde vaak nog terug te stoppen; daarna is de opening meestal niet meer toegankelijk. Als u het ziet zitten plaatst u dan zo snel mogelijk zelf de sonde terug, al is het maar een paar centimeter. U stopt de sondevoeding en neemt contact op met het ziekenhuis.

Uiterlijk en functiebeperking

Het kan moeilijk zijn om met de beperkingen om te gaan. Ook kan het confronterend zijn om andere mensen te ontmoeten. Hoe moeilijk het waarschijnlijk ook is, het is niet goed contacten met anderen te vermijden. U komt dan steeds verder van de mensen om u heen af te staan, waardoor u zich erg alleen kunt gaan voelen. Blijf praten over de beperkingen en uw gevoelens, probeer bezoek te ontvangen en naar buiten te gaan. U kunt hulp krijgen van het Centrum voor Kwaliteit van Leven (CKvL).

Vermoeidheid

U kunt tijdens en na de behandeling last houden van vermoeidheid. Vermoeidheid wordt veroorzaakt door de behandeling, de ziekte zelf en doordat de conditie afneemt. Het is belangrijk dat u ondanks deze vermoeidheid voldoende blijft bewegen, zodat u in ieder geval uw conditie op peil houdt. Hoeveel beweging goed en gezond is, is afhankelijk van uw startniveau. Het is zinvol uw energie te verdelen over de activiteiten die voor u van belang zijn en regelmatig rust in te bouwen.

Activiteit

De eerste zes weken mag u niet zwaar tillen. Indien u iets optilt, zorgt u er dan voor dat u dit symmetrisch doet. Deze beperking houdt ook in dat u de eerste zes weken geen zwaar huishoudelijk werk kunt verrichten zoals bijvoorbeeld stofzuigen en ramen lappen.

Regelmatige lichaamsbeweging is belangrijk voor de opbouw van uw conditie. U kunt de eerste zes weken echter niet intensief sporten (u mag bijvoorbeeld geen buikspieroefeningen doen). Zwemmen of in bad gaan mag bij een gesloten wond na 2-3 weken.

Revalidatie

Kanker is een ingrijpende ziekte. De gevolgen van deze ziekte en/of behandeling kunnen u in het dagelijks functioneren aanzienlijk beperken. Veel gehoorde klachten zijn vermoeidheid, conditievermindering, angst en onzekerheid. De revalidatiegeneeskunde van het Antoni van Leeuwenhoek heeft oncologische revalidatieprogramma’s ontwikkeld om u te helpen met deze klachten om te gaan. Uw behandelend arts of verpleegkundig specialist kan u hiervoor verwijzen. U kunt dit ook zelf bespreekbaar maken met uw zorgverlener. Meer informatie vindt u in de folder ‘Oncologische revalidatie’ welke u kunt vinden in het Centrum Patiënteninformatie in de centrale hal van het ziekenhuis.

Werkhervatting

Wanneer u weer kunt werken is afhankelijk van de aard van uw werkzaamheden en van uw individuele situatie. Het is zinvol met uw behandelend arts of verpleegkundig specialist en met uw bedrijfsarts te overleggen wanneer u uw werk kunt hervatten. Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u terecht bij het Centrum Patiënteninformatie in de centrale hal van het ziekenhuis.

Intimiteit, Seksualiteit en Kanker

De diagnose en behandeling van kanker kunnen veel veranderen in uw leven en dat van uw partner. Ook het lichaamsbeeld en de lichaamsbeleving kunnen door de behandeling veranderen. In het Antoni van Leeuwenhoek kunt u terecht bij medewerkers die ervaren zijn in het bespreken van problemen op het gebied van intimiteit, seksualiteit en kanker. Bij hen kunt u terecht met al uw vragen en twijfels op dit gebied. Meer informatie kunt u lezen in de folder Intimiteit, Seksualiteit en Kanker. De folder is te verkrijgen op de verpleegafdeling en het Centrum Patiënteninformatie.

Concentratie

Door de narcose, medicijngebruik en de emoties rondom de operatie kunnen uw concentratie, geheugen en beoordelingsvermogen tijdelijk verminderd zijn. Houdt u hiermee rekening als u deelneemt aan het verkeer.

Verwerking

Binnen het Centrum voor Kwaliteit van Leven werken hulpverleners zoals maatschappelijk werksters, geestelijk verzorgers, psychiatrisch verpleegkundigen en creatief therapeuten. Zij hebben veel ervaring met, en weten veel over, het omgaan met kanker. Zij helpen u bij het zoeken naar antwoorden op uw vragen. De hulpverleners bieden inzicht en handvatten voor het omgaan met de ziekte, de behandeling en de beperkingen die dat met zich mee kan brengen. Ook tijdens de herstelperiode na een behandeling kunnen zij ondersteuning bieden. Daarnaast kunnen zij bemiddelen en adviseren bij verwijzing naar andere instanties buiten het ziekenhuis.

Contact met het ziekenhuis

Neem contact op met het ziekenhuis als u onderstaande lichamelijke problemen ervaart

  • temperatuursverhoging boven de 38.5 graden Celsius;
  • aanhoudende misselijkheid en braken, niet kunnen eten en meer dan twee kilo per week afvallen;
  • obstipatie (langer dan drie dagen geen ontlasting);
  • aanhoudende pijn in het wondgebied die niet met pijnstillers onder controle te krijgen is;
  • niet kunnen plassen;
  • als de jejunostomiesonde uitvalt;
  • andere aan de behandeling gerelateerde problemen.

Voor algemene klachten verzoeken wij u eerst contact op te nemen met de huisarts.

Bijlage 1: Ligging en functie van slokdarm en maag

De maag zit linksboven in de buik, onder het middenrif, onder de lever en boven de darmen.

Afbeelding 1 ligging van de organen

Bron: kanker.nl

De slokdarm ligt achter de luchtpijp en grotendeels voor de grote lichaamsslagader (aorta). Op afbeelding 1 ziet u de ligging van de maag met daarboven de slokdarm

De functie van de slokdarm is het transport van voedsel naar de maag. De slokdarm bestaat voor een groot deel uit spieren. Met samentrekkende bewegingen (peristaltiek) verplaatsen deze spieren voedsel naar de maag. Daarnaast zorgen kliertjes in de slokdarm voor een slijmlaag om het transport makkelijker te maken. Zodra het voedsel in de maag komt wordt er maagzuur aan toegevoegd dat door klieren in de wand van de maag geproduceerd wordt. Wanneer het voedsel goed vermengd is met het maagzuur en klein genoeg is gemaakt wordt het beetje bij beetje door gelaten naar de twaalfvingerige darm. Het verteringsproces gaat vervolgens verder in het darmstelsel.

Afbeelding 2 Ligging van de maag en bijbehorende lymfklierstations. Tevens zijn de lever, alvleesklier, milt, een gedeelte van de dikke darm, en de grote bloedvaten afgebeeld.

De operatie

Maagverwijdering (totaal of subtotaal)

Afhankelijk van de plaats en uitgebreidheid van de tumor in de maag, het celtype, uw leeftijd en conditie wordt besloten een gedeeltelijke (afbeelding 3) of een totale maagverwijdering (afbeelding 4) te verrichten. Wanneer de operatie wordt verricht vanwege een carcinoom zal tevens een uitgebreide lymfklierdissectie plaatsvinden. Bij een gastro-intestinale stromaceltumor (GIST) is dat niet nodig. Een enkele keer wordt de maag preventief verwijderd (in geval van een genmutatie); ook dan is een uitgebreide lymfklierdissectie niet nodig.

Een maagoperatie vanwege kanker wordt meestal verricht met het oog op genezing (curatief); bij sommige patiënten biedt de operatie alleen een verlichting van symptomen (palliatief).

Alle maagoperaties beginnen met een inspectie van de buikholte. Zo nodig worden biopten genomen voor snelonderzoek. Voor een in-opzet-curatieve maagverwijdering mogen er geen uitzaaiingen zijn en geen doorgroei van de tumor naar andere organen. Met de maag worden ook de bijbehorende lymfklieren weggehaald. In geval van een gedeeltelijke maagverwijdering wordt de maag op ongeveer 1/3 deel van bovenaf doorgenomen, en in geval van een totale maagverwijdering wordt de slokdarm net boven de overgang naar de maag doorgenomen. In beide gevallen gebeurt het doornemen aan de onderzijde net voorbij de sluitspier van de maag (in het begin van de twaalfvingerige darm). De voedselpassageweg wordt hersteld met een nieuwe verbinding (anastomose) naar de dunne darm (zie afbeelding 3). Na een totale maagverwijdering is altijd een tweede nieuwe verbinding nodig voor de afvoer van gal- en alvleeskliersappen verderop in de dunne darm (zie afbeelding 4).

In geval van een GIST wordt doorgaans een wig (‘taartpunt’) uit de maag gehaald waarbij de plaats van de wig gesloten kan worden zonder dat een nieuwe verbinding met de dunne darm nodig is. Aan het einde van de operatie wordt een drain in de buik ingebracht voor overtollig vochtafvoer, en afhankelijk van uw situatie een voedingssonde in de dunne darm geplaatst (jejunostomie).

Figuur 3 Subtotale gastrectomie met Billroth II reconstructie

Afbeelding 3 (situatie na een gedeeltelijke maagverwijdering)

Bron afbeelding: www.med-info.nl

Afbeelding 4 (Roux-en-Y reconstructie na een totale maagverwijdering)

Bron: KWF Kankerbestrijding

Bijlage 2: Voeding en voedingsadviezen voor en na de operatie

Voor de operatie

Energie (calorieën)

Uw gewichtsverloop is een indicatie voor uw conditie. Een stabiel gewicht geeft aan dat u voldoende calorieën binnenkrijgt, en dat uw conditie op peil blijft. Hoe beter uw conditie gedurende de behandeling is, hoe beter u de behandeling doorkomt en hoe sneller u na de behandeling herstelt. Gedurende de behandeling streven we daarom naar een stabiel gewicht.

Eiwitten

Door veranderingen in de stofwisseling, veroorzaakt door de tumor, heeft u een hogere behoefte aan eiwit. Producten die veel eiwit bevatten zijn vlees(vervangers), vis, gevogelte, ei, zuivel, kaas en peulvruchten. Deze producten verdienen in de dagelijkse voeding dan ook speciale aandacht.

Vitamines en mineralen

Wanneer u twijfelt of u voldoende vitaminen en mineralen binnenkrijgt met de dagelijkse voeding mag u multivitaminen gebruiken. Deze multivitamine mag tot 100 procent aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) bevatten. Hogere doseringen raden wij u af.

Vocht

Over het algemeen is 1,5 - 2 liter vocht per dag voldoende. Mocht voor u een afwijkend advies gelden, bijvoorbeeld bij een slechte nierfunctie, dan krijgt u van uw arts een aangepast advies.

Klachten gerelateerd aan voeding tijdens de behandeling

Afhankelijk van uw behandeling kunnen zich verschillende klachten voordoen die eten vervelend of pijnlijk maken. Hieronder worden de meest voorkomende klachten genoemd met enkele voedingsadviezen. Uiteraard wordt er tijdens uw consult met de diëtist op uw specifieke klachten ingegaan.

Misselijkheid en braken

Drink voldoende (1.5-2l per dag); vermijd de aanblik en geur van eten als dat niet nodig is; probeer of het drinken van koude cola helpt; forceer niets; gebruik meerdere kleine maaltijden per dag; vraag uw arts naar medicatie tegen de misselijkheid.

Vermoeidheid

Gebruik kant-en-klare producten als u geen energie heeft om maaltijden te bereiden; verdeel het eten over de dag; neem vaker vloeibare voeding; probeer per dag minimaal 30 minuten te blijven bewegen.

Geen trek in eten

Zorg dat alles wat u eet en drinkt calorieën en eiwitten bevat; spreidt de maaltijden over de dag; neem extra zuivel.

Bijvoeding tijdens de behandeling

Door klachten van de ziekte of behandeling kan het zijn dat u onvoldoende voedingsstoffen binnenkrijgt via uw dagelijkse voeding. Om in goede conditie te blijven kan geadviseerd worden bijvoeding te gebruiken. Bijvoeding bestaat in de vorm van drinkvoeding of sondevoeding.

Drinkvoeding

Drinkvoeding is een geconcentreerde drank die veel calorieën en eiwitten bevat, ook zijn vitaminen en mineralen toegevoegd. Behalve deze drankjes zijn er ook een speciale soep, pudding en fruitmoes in verschillende smaken verkrijgbaar. Drinkvoeding is niet in de winkel verkrijgbaar. Uw diëtist kan deze voeding voor u bestellen waarna de zorgverzekeraar de kosten vergoed.

Sondevoeding

Wanneer het niet lukt om met de dagelijkse voeding en drinkvoeding op gewicht te blijven, kan het reeds vóór de operatie noodzakelijk zijn te starten met sondevoeding. Sondevoeding is een dunne vloeibare voeding die via een flexibel slangetje in de maag of darm terecht komt. Indien u vóór de operatie gestart bent met sondevoeding, heeft u een voedingssonde gekregen die via uw neus in uw maag of darm ligt. Tijdens de operatie krijgt u afhankelijk van uw situatie een sonde die via de buikwand direct in de darm wordt geplaatst.

Voeding na de operatie

Afhankelijk van de operatie die u krijgt, zal de reservoirfunctie van de maag geheel of gedeeltelijk verdwijnen. Om klachten na de maaltijd te voorkómen en om aan voldoende voedingsstoffen te komen is het daarom noodzakelijk elke twee tot drie uur een kleine maaltijd te nuttigen.

Na de operatie krijgt u afhankelijk van uw situatie sondevoeding om geleidelijk aan de nieuwe situatie te kunnen wennen. Bij de meeste patiënten is (nachtelijke) sondevoeding enkele weken tot maanden na de behandeling noodzakelijk. Bij het opbouwen van de voeding via de mond en het afbouwen van de sondevoeding wordt u begeleid door de diëtisten van het ziekenhuis.

Vitamine B12

Vitamine B12 is nodig voor de aanmaak van rode bloedcellen en voor een goede werking van het zenuwstelsel. Na een totale maagresectie wordt vitamine B12 onvoldoende opgenomen in het lichaam, waardoor er een tekort ontstaat. Dit betekent dat als u een totale maagresectie heeft ondergaan u levenslang elke twee maanden een vitamine B12 injectie moet krijgen van uw huisarts. Uw huisarts wordt hierover ingelicht.

Bijlage 3: Fysiotherapie voor en na de operatie

Voor de operatie

Voor de opname krijgt u een (bel)afspraak met de fysiotherapeut. Tijdens dit consult maakt de fysiotherapeut een inschatting of uw spierkracht en conditie nog moeten verbeteren.

Het is belangrijk dat u zo goed mogelijk aan uw conditie werkt. Hoe beter uw conditie is voor de operatie, hoe sneller u zal herstellen na de operatie. U kunt aan uw conditie werken door dagelijks minimaal 30 minuten matig intensief te bewegen. Dit betekent 30 minuten fietsen of wandelen met een intensiteit waarbij u het warm krijgt en uw ademhaling versneld. Als 30 minuten achtereen inspannen voor u te zwaar is kunt u ook tweemaal op een dag een kwartier inspannen. Andere lichamelijke activiteiten dan wandelen of fietsen zijn natuurlijk ook geschikt.

Na de operatie

Informatie over opbouw van activiteiten na de operatie

De verpleegkundige zal u begeleiden bij het uit bed komen en het lopen. Voor deze activiteiten bestaat een opbouwschema. Het is belangrijk dat u dit schema zoveel mogelijk volgt omdat de houding en het zo snel mogelijk weer gaan lopen noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de longen. Voor ontslag zal de fysiotherapeut met u een gesprek hebben over de conditieopbouw thuis.

Uitleg ademhalingsoefeningen

De fysiotherapeut komt na de operatie bij u langs om de ademhaling te controleren. Het is de bedoeling dat u zelf elk uur oefent als u wakker bent: Begin een minuut met een rustige buikademhaling en daarna vijf maal een diepe inademing. Na de ademhalingsoefeningen gaat u een paar maal huffen en hoesten (zie onderstaande toelichting).

Rustige buikademhaling

Ga ontspannen zitten of liggen. Leg de handen losjes op de buik en adem rustig in, het liefst door de neus. Voel de buik tijdens de inademing naar de handen toe bewegen. Adem daarna uit door de mond waarbij u de buik voelt terugzakken. Doe dit in uw eigen tempo en ademdiepte.

Diepe inademing

Ga goed rechtop zitten. Houd de handen op de buik en adem langzaam zo diep mogelijk in, liefst door de neus. Als eerste voelt u de buik uitzetten, daarna komt de borstkas naar voren en wordt breder. Houd de adem twee tellen vast, niet persen maar als het ware in blijven ademen. Adem daarna rustig uit door de mond.

Huffen

Adem normaal in. Open de mond en de keel, en adem krachtig uit door de buik snel in te trekken. Let erop dat uw keel goed open is en dat de kracht uit uw buik komt.

Hoesten

Goed hoesten doet u door diep in te ademen en in een keer alle lucht krachtig uit te hoesten.

Algemene opmerkingen t.a.v. fysiotherapie en conditieopbouw

Pijn

Als u (veel) pijn heeft, wordt u gehinderd in uw dagelijkse handelingen zoals wassen, aankleden, diep zuchten en andere activiteiten. Het is dus belangrijk dat de pijn onder controle is. Als dat niet zo is, bespreek het dan met uw arts die goede pijnstilling kan voorschrijven. Daarnaast heeft bewegen ook een gunstige invloed op pijn.

Blijf dus vooral uw dagelijkse activiteiten doen, evenals uw oefeningen zolang u daar baat bij heeft. Probeer ook elke dag een stukje te wandelen.

Conditie

De eerste periode na de operatie zult u merken dat u snel moe bent, misschien kortademig en dat uw conditie verminderd is. Om uw uithoudingsvermogen weer op te bouwen kunt u, als u weer thuis bent, naast uw dagelijkse activiteiten gaan wandelen. Begin met ongeveer vijf minuten en probeer dit uit te breiden totdat u minimaal een half uur per dag kunt wandelen in een normaal tempo. Eventueel kunt u ook verspreid over de dag tweemaal een kwartier wandelen. Zorg voor een goede verdeling van uw activiteiten over de dag. Bouw ook rustpunten in. De verpleegkundig specialist zal de conditieopbouw verder met u bespreken en u zo nodig doorverwijzen.

Praktische informatie

Contact

Ons algemene nummer is 020 512 9111. Onze telefonisten verbinden u graag door met de juiste afdeling.

Voor dringende zaken buiten kantooruren kunt u vragen naar het Weekend-, Avond- of Nachthoofd. Bel bij medische spoed altijd 112. Voor andere vragen verzoeken wij u te wachten tot de volgende werkdag.

Centrum Patiënteninformatie

Wilt u meer informatie omdat u of een naaste te maken heeft met kanker? Onze medewerkers denken graag met u mee. U kunt bellen of zonder afspraak binnenlopen.

Lees meer over het Centrum Patiënteninformatie

Centrum voor Kwaliteit van Leven

Heeft u behoefte aan professionele steun tijdens en na uw behandeling? Dan kunt u een afspraak maken bij ons centrum via uw behandelaar.

Lees meer over het Centrum voor Kwaliteit van Leven

Route & adres

U vindt meer praktische informatie over uw bezoek, de route & parkeren, onze bezoektijden en voorzieningen en diensten op onze website.

Praktische informatie

onload