Melanoom, excisie, schildwachtklier en thierschplastiek
Inleiding
In verband met een ingreep wordt u binnenkort opgenomen in het Antoni van Leeuwenhoek. In dit document vindt u informatie over:
- De ingreep
- De periode voor de ingreep
- De periode na de ingreep
- Het ontslag
- Meer informatie
Het doel van dit document is om u en uw naasten te informeren over het te verwachten verloop van de opname, de ingreep en het ontslag.
Wij verzoeken u deze schriftelijke informatie goed door te lezen voorafgaand aan uw telefonische afspraak met de verpleegkundige en uw eventuele vragen te noteren.
Het is goed u te realiseren dat uw persoonlijke situatie anders kan zijn dan beschreven. Het team van artsen, verpleegkundigen, fysiotherapeuten, diëtisten en andere disciplines dat u begeleidt, geeft u specifieke informatie over uw situatie. Wij raden u aan om altijd iemand mee te nemen naar de gesprekken met een zorgverlener. Deze schriftelijke informatie dient als aanvulling op de mondelinge informatie en als naslagwerk.
In dit document vindt u informatie over het verwijderen van een melanoom of het ruimer uitnemen van het melanoomlitteken en de schildwachtklierprocedure, waarbij de wond wordt gesloten met behulp van een gedeelte van uw eigen huid (thierschplastiek).
1. De ingreep
Op de afdeling Nucleaire Geneeskunde wordt de schildwachtklier gelokaliseerd met een lymfescan. Dit gebeurt of 1 dag voor de operatie of op dezelfde dag vlak voor de operatie.
Na de lymfescan wordt de schildwachtklier tijdens de operatie opgespoord en verwijderd. Het melanoom of het litteken van het melanoom wordt met een marge gezond weefsel verwijderd.
Met behulp van een speciaal apparaat wordt een dunne laag van de huid van uw bovenbeen geschaafd. Dit stukje huid (thierschplastiek) wordt uitgerekt waardoor de oppervlakte vergroot wordt. Het wordt op de wond geplaatst en aangedrukt door middel van een spons. De ingreep duurt ongeveer twee tot drie uur.
Schildwachtklierprocedure
Het melanoom kan zich uitzaaien naar lymfeklieren. De schildwachtklier, ook wel poortwachtklier of sentinel node genoemd, is de lymfeklier die via een lymfebaan een directe verbinding heeft met de tumor. Als de tumor zich uitzaait via de lymfebanen wordt deze lymfeklier als eerste aangedaan. Het kan gaan om één of meerdere lymfeklieren. Als de schildwachtklier geen tumorcellen bevat, is de kans klein dat de overige lymfeklieren tumorcellen bevatten. Bij de schildwachtklierprocedure wordt de schildwachtklier opgespoord en onderzocht op de aanwezigheid van tumorcellen. De schildwachtklier kan op twee manieren worden opgezocht. Meestal wordt ervoor gekozen om alleen de eerste methode uit te voeren. In zeldzame gevallen wordt daarna ook nog de tweede methode gebruikt. Hieronder worden beide methoden toegelicht.
Eerste methode
De schildwachtklier wordt opgespoord met behulp van een lymfescan. Op de afdeling Nucleaire Geneeskunde wordt het melanoom of het litteken verdoofd met een spray. Na enkele minuten worden rondom de afwijking 4 injecties gegeven met een kleine hoeveelheid radioactieve vloeistof. Deze radioactieve vloeistof heeft geen nadelige gevolgen. De vloeistof verspreidt zich via de lymfebanen naar de schildwachtklier(en). Vervolgens worden meerdere opnames (scans) gemaakt. Hierbij worden één of meerdere schildwachtklieren afgebeeld De schildwachtklier blijft tot de volgende dag radioactief, zodat de chirurg ook tijdens de ingreep de schildwachtklier kan vinden.
Tweede methode
In zeldzame gevallen past de chirurg nog een tweede methode toe om de schildwachtklier op te sporen. Dit gebeurt tijdens de ingreep onder narcose. De chirurg spuit dan blauwe inkt in de tumor. Deze inkt volgt de lymfebanen naar de schildwachtklier. Zowel de blauwe kleur van de inkt als de radioactieve stof markeren nu de klier die de chirurg moet verwijderen. Door de blauwe inkt kan tot twee dagen na de ingreep de urine en soms de huid blauw/groen kleuren.
De schildwachtklier wordt na de operatie bekeken door de patholoog anatoom. De uitslag hiervan hoort u tijdens uw afspraak op de polikliniek. Als er tumorcellen zijn gevonden in de schildwachtklier zal de arts met u bespreken welke nabehandeling nodig is. In sommige gevallen zal het verwijderen van de overige lymfklieren worden voorgesteld.
Mogelijke complicaties
Geen enkele ingreep is zonder risico’s. Er bestaat altijd een risico op trombose (een stolsel in het bloedvat), longontsteking, een nabloeding en wondinfectie. Bij deze ingreep bestaat er daarnaast een kans dat de thierschplastiek niet aanslaat.
Door een groot aantal maatregelen rondom de ingreep doen wij er alles aan om de risico’s zo beperkt mogelijk te houden.
Het weefselonderzoek
Het weefsel dat tijdens de ingreep wordt weggenomen, wordt door de patholoog anatoom onderzocht. Het weefselonderzoek duurt zeven tot tien werkdagen. De uitslag wordt zo mogelijk tijdens uw opname in het ziekenhuis, met u en uw naasten besproken. Als u ontslagen wordt vóórdat de uitslag van het onderzoek bekend is, dan krijgt u de uitslag telefonisch of op de polikliniek. Er wordt dan bij uw ontslag een afspraak gemaakt.
2. De periode voor de ingreep
U wordt ongeveer twee weken voordat de operatie plaats vindt gebeld door de afdeling Opname. Zij geven u de operatiedatum door. U krijgt tevens meer informatie over hoe laat en waar u zich in het ziekenhuis moet melden en over de verdere procedure.
Poliklinische voorbereiding: diagnostisch onderzoek
Ter voorbereiding op de ingreep zijn er een aantal onderzoeken noodzakelijk. De chirurg of de verpleegkundig specialist heeft u hierover geïnformeerd.
Poliklinische voorbereiding:
Op de polikliniek spreekt u verschillende medewerkers:
- De chirurg is eindverantwoordelijk voor uw medische behandeling en zal het behandelplan met u bespreken. Vragen over de ingreep kunt u aan hem of haar stellen.
- De verpleegkundig specialist is een gespecialiseerd verpleegkundige die u nadere uitleg geeft over de ingreep, opname in het ziekenhuis en de tijd na ontslag. U kunt aan de verpleegkundig specialist vragen stellen die u nog heeft na het bezoek aan de chirurg. Hij of zij vraagt naar uw medische geschiedenis en uw huidige gezondheid en verricht een algemeen lichamelijk onderzoek. Na dit gesprek is de verpleegkundig specialist uw contactpersoon voor u en uw naasten tot aan de opname in het ziekenhuis. Vervolgens ziet u de verpleegkundig specialist bij een eventuele controle op de polikliniek.
- De anesthesioloog heeft de regie over de narcose en pijnbestrijding. U ontvangt van hem of haar de informatiefolder “Voorbereiding op de operatie en informatie over de anesthesie”. De anesthesioloog instrueert u over uw medicijngebruik.
- De belafspraak met de verpleegkundige dient ter voorbereiding op de opname. De verpleegkundige neemt met u de verpleegkundige anamnese en de lastmeter door. Ook heeft u gelegenheid om vragen te stellen en zo nodig wordt aanvullende informatie gegeven. De verpleegkundige kan in overleg met u andere disciplines (zoals diëtiste, maatschappelijk werker) inschakelen en u vertellen waar u meer informatie kunt vinden over uw ziekte.
Dag van opname
U wordt meestal op de dag van de ingreep opgenomen in het ziekenhuis. Op de dag van opname meldt u zich bij de receptie in de centrale hal. De receptionist(e) verwijst u naar de verpleegetage. Daar wordt u door een verpleegkundige naar uw kamer gebracht.
Op de dag van opname spreekt u verschillende medewerkers:
- Tijdens uw verblijf op de afdeling coördineert de verpleegkundige de zorg en biedt u ondersteuning en begeleiding. Ook hoort u van de verpleegkundige op welk tijdstip de ingreep is gepland; dit is een schatting.
- De afdelingsarts stelt zich op de hoogte van uw huidige gezondheidstoestand en bespreekt uw medicatie met u.. Tijdens uw opname stelt hij of zij zich dagelijks op de hoogte van uw situatie tijdens de artsenronde en informeert u over het medische beleid. De afdelingsarts staat in nauw contact met uw behandelend specialist.
- De chirurg spreekt kort met u om na te gaan of u nog vragen heeft over de ingreep. Dit kan ook op de operatiekamer plaatsvinden.
Dag van ingreep
Voor de operatie moet u nuchter zijn. In de voorlichtingsbrief van de anesthesioloog staat beschreven vanaf welk tijdstip u niet meer mag eten en drinken.
Op de dag van de ingreep kunt u zich wassen of douchen zoals u gewend bent. U wordt verzocht uw huid niet in te smeren met crème of lotion. U krijgt een operatiehemd van de verpleegkundige. Protheses (zoals een gebit), hulpmiddelen (zoals een bril of lenzen), sieraden, make-up en nagellak dient u te verwijderen voordat u naar de operatiekamer gaat. Als u een hoorapparaat heeft, kunt u deze inhouden.
Indien u dit met de anesthesioloog heeft afgesproken krijgt u voor de operatie een tablet, zodat u zich beter kunt ontspannen. De verpleegkundige brengt u naar de voorbereidingsruimte van de operatiekamer. Daar wordt u ontvangen door een medewerker van de operatiekamer.
Voor de operatie krijgt u een infuus waardoor de medicatie van de narcose wordt toegediend. Ook krijgt u soms, afhankelijk van de locatie en de grootte van de tumor, een zeer dun ‘slangetje’ (epiduraalkatheter) in de rug aangebracht. Via dit ‘slangetje’ krijgt u tijdens en na de operatie pijnbestrijding.
3. De periode na de ingreep
Na de ingreep blijft u enige tijd op de uitslaapkamer voordat u naar de verpleegafdeling gaat.
Op de verpleegafdeling komt de afdelingsarts elke dag bij u langs om samen met u en met de verpleegkundige de voortgang van uw herstel te bespreken. Tijdens deze visite worden nieuwe afspraken gemaakt. De afdelingsarts spreekt met uw behandelend specialist over het verloop van uw herstel. Uw specialist komt regelmatig bij u langs.
Fraxiparine
Na de ingreep krijgt u dagelijks een injectie met het middel Fraxiparine (in uw buik, bovenbeen of bovenarm), totdat u met ontslag gaat. Fraxiparine voorkomt een stolsel in een bloedvat (trombose).
Katheters, lijnen en drains
Na de ingreep heeft u een aantal ‘slangen’:
- een infuus voor vocht- en medicatietoediening. Dit infuus bevindt zich doorgaans in de hand of arm. Zodra u in staat bent voldoende te drinken en geen medicatie via het infuus nodig heeft, wordt het infuus verwijderd.
- een slangetje in de neus voor de toediening van extra zuurstof. Meestal is het toedienen van extra zuurstof alleen nodig in de eerste 24 uur na de ingreep.
- in sommige gevallen een epiduraalkatheter. Dit is een dun slangetje in de rug waardoor u pijnmedicatie krijgt toegediend. De medicatie die u via de epiduraal katheter krijgt wordt afgebouwd en gestopt op geleide van uw pijnklachten en herstel. Zodra deze medicatie is gestopt, wordt de katheter verwijderd. Dit is gemiddeld na drie tot zes dagen.
- een blaaskatheter voor de afvloed van urine. De blaaskatheter wordt verwijderd zodra de medicatie via de epiduraalkatheter is gestopt. Dit is gemiddeld na drie tot vijf dagen.
- soms heeft u één of meerdere wonddrains uit het operatiegebied voor de afvloed van wondvocht. Afhankelijk van de hoeveelheid wondvocht wordt deze verwijderd. Dit is gemiddeld na twee tot vijf dagen.
- Negatieve druk therapie
Soms wordt er gebruik gemaakt van Negatieve druk therapie. Hierbij wordt een sponsverband aangebracht op het wondbed wat aangesloten is op een pompje (VAC -pomp). Het doel is om het overtollig vocht uit de wond te trekken en de wond te beschermen. Het verband moet soms verwisseld worden. De wondverpleegkundige coördineert deze zorg.
Pijn
Met name de wond van de donorplaats (de plaats waar de huid is verwijderd voor bedekking van de wond) kan een branderige pijn veroorzaken. Goede pijnbestrijding is belangrijk om goed door te kunnen ademen, te hoesten, te bewegen in bed en uit bed te komen. Dit is van belang voor uw herstel. Als u pijn heeft, is het belangrijk dat u dit aangeeft.
De verpleegkundige zal u drie maal per dag vragen om uw pijn te omschrijven met een cijfer van 0 tot 10. U krijgt tabletten en/of zetpillen tegen de pijn.
Misselijkheid
Misselijkheid na de operatie komt regelmatig voor. Misselijkheid kan worden veroorzaakt door de narcose en door de ingreep zelf. Als u misselijk bent, is het belangrijk dat u dit aangeeft. De verpleegkundige kan u medicijnen geven om misselijkheid tegen te gaan.
Wond
De wond wordt dagelijks geïnspecteerd door de verpleegkundige.
Om te bewerkstelligen dat de thierschplastiek (donorhuid) zich hecht aan de wond moet de wond zoveel mogelijk rust krijgen. De spons die op de donorhuid zit zorgt ervoor dat de huid goed op de wond aansluit. De spons blijft doorgaans een vijf tot zeven dagen zitten. Nadien zal deze door de wondverpleegkundige verwijderd worden en wordt bekeken of de huid aan de wond gehecht is en de wondgenezing goed op gang is. De wond ziet er op dit moment vaak nog eng uit.
De wondverpleegkundige bepaalt hoe de wond verbonden zal worden en zal u vertellen in welke mate de wond belast mag worden.
Soms zit er een VAC pomp op de wond in plaats van een spons.
Op de plek waar de donorhuid verwijderd is zit een wondverband wat net zolang blijft zitten totdat dit verzadigd is met wondvocht. Hierbij geneest de wond het snelst. Dit verband mag niet nat worden. U mag douchen indien het lichaamsdeel met de thierschplastiek is ingepakt met een plastic zak en de donorplaats is ingepakt in huishoudfolie.
Het gevoel van de huid rondom het litteken kan veranderd zijn door beschadiging van huidzenuwen. Dit gevoel kan nog lang aanhouden, maar herstelt zich over het algemeen wel.
De hechtingen van de wond worden 14 dagen na de ingreep door de wondverpleegkundige verwijderd. Soms zijn de hechtingen oplosbaar, u hoort dit van de verpleegkundige.
Mobiliteit en fysieke activiteit
De mate waarin u mag bewegen is afhankelijk van de plaats en grootte van de wond. De arts geeft hierover een voorschrift na de operatie. Indien de wond op uw onderbeen of voet zit mag u de voet niet belasten om de wondgenezing zoveel mogelijk te bevorderen. U moet dan een periode op krukken lopen. Als het wondverband verwijderd is, bepaalt de arts in welke mate u weer mag bewegen.
Stoelgang
Na de operatie functioneren de maag en darmen tijdelijk minder goed. Hierdoor kunt u misselijk zijn en kan de stoelgang vertraagd zijn. Het duurt een paar dagen voor de maag en de darmen weer op gang komen en u weer ontlasting heeft. Het gebruik van vezelrijke voeding en voldoende vocht stimuleert de darmwerking. Als het nodig is schrijft de afdelingsarts medicijnen voor om de stoelgang op gang te brengen.
Voeding
Voor uw herstel en een optimale wondgenezing is het van belang dat uw voeding voldoende calorieën, eiwitten en vitaminen bevat.
Uw eetlust kan de eerste periode na de operatie verminderd zijn. Dit kan gedurende langere tijd zo blijven. De verpleegkundige kan u indien nodig in contact brengen met de diëtiste.
Wisselend verloop
Tijdens uw opname zult u merken dat u zich de ene dag beter voelt dan de andere dag. Dit kan zowel op lichamelijk als op emotioneel gebied zijn. De verpleegkundige kan u hierin ondersteuning bieden.
Daarnaast kunt u gebruik maken van de medewerkers van het Centrum voor Kwaliteit van Leven (CKvL). Bij het CKvL werken diverse deskundigen die u en uw naasten psychosociale ondersteuning kunnen bieden. Uw verpleegkundige kan u in contact brengen met het CKvL.
4. Het ontslag
Het moment van ontslag is afhankelijk van uw herstel en zelfstandigheid. Over het algemeen kunt u na ongeveer drie tot zeven dagen het ziekenhuis verlaten.
Mogelijk heeft u na ontslag uit het ziekenhuis nog zorg nodig. Bespreek dit tijdig met uw verpleegkundige en behandelend arts.
De verpleegkundige voert een ontslaggesprek met u en, als u dat wilt, uw naaste. Tijdens het gesprek wordt teruggekeken op uw verblijf in het ziekenhuis en wordt u voorbereid op de periode die zal volgen na ontslag.
Bij ontslag krijgt u een afspraak mee voor poliklinische controle bij de wondverpleegkundige en de chirurg. Via een brief zal de chirurg uw huisarts op de hoogte stellen van de operatie, het verloop van herstel tijdens de ziekenhuisopname en de eventuele vervolgbehandeling.
De periode na het ontslag
Na het ontslag uit het ziekenhuis kunt u uw dagelijkse activiteiten weer geleidelijk uitbreiden tot uw normale niveau. Zorg daarbij voor een dagritme waarbij na activiteiten rustmomenten worden ingelast. Het is moeilijk aan te geven wanneer u weer helemaal van de ingreep bent hersteld. Dit hangt af van de grootte en de complexiteit van de ingreep, uw conditie en eventuele voor- of nabehandeling.
Wij willen u graag een aantal adviezen meegeven.
Pijn
De pijnstillers die u tijdens de opname in het ziekenhuis gebruikte, kunt u thuis afbouwen op geleide van uw pijnklachten. Het is verstandig om de pijnstillers zo in te nemen, dat u diep kunt doorademen en nagenoeg pijnvrij kunt hoesten.
U kunt het volgende schema volgen:
- Verminder en stop eerst de Ibuprofen. U kunt stoppen met het gebruik van Pantozol (maagbeschermer) zodra u bent gestopt met Ibuprofen.
- Blijf Paracetamol drie tot vier maal daags 1000 mg als basis gebruiken. Paracetamol kunt u afbouwen door de middaginname over te slaan. Daarna kunt u twee maal daags 500 mg innemen en vervolgens stoppen.
Wond
U krijgt voor uw ontslag uitleg en instructie van de verpleegkundige of wondverpleegkundige over de verzorging van de wonden. Indien nodig wordt ondersteuning van de wijkverpleegkundige bij de wondzorg geregeld. De hechtingen worden verwijderd door de wondverpleegkundige.
Donorplaats
- op de donorplaats zit Mepilexverband, dit verband mag maximaal vijf dagen blijven zitten;
- na 5 dagen moet het verband vervangen worden door een nieuw Mepilexverband;
- wanneer het Mepilexverband binnen de 5 dagen is verzadigd (het kan dan geen vocht meer opnemen) moet het ook eerder worden vervangen door een nieuw Mepilexverband;
- het Mepilexverband mag niet nat worden, u mag douchen mits het lichaamsdeel is ingepakt met huishoudfolie;
- na ongeveer acht dagen wordt de wond beoordeeld, het verband mag dan worden verwijderd;
- als de wond gesloten en droog is hoeft er geen verband meer op en kunt u de huid soepel houden met zoete olie of een vette bodylotion;
- als de wond nog niet gesloten is dan brengt u Mepitelverband over de donorplaats aan met daaroverheen een gaasje; het gaasje over het Mepitelverband moet u iedere dag verschonen;
- het Mepitelverband is een siliconenverband dat niet aan de wond verkleeft, dit kan twee tot drie dagen blijven zitten, u mag hier wel mee douchen;
- als het Mepitel verband eraf valt en de wond is nog niet helemaal droog, dan moet u een nieuw Mepitelverband op de wond aanbrengen.
Bij vragen of twijfel kunt u contact opnemen met de wondverpleegkundige via het algemene telefoonnummer van het ziekenhuis 020 512 9111.
Thierschplastiek
Als het huidtransplantaat mooi is ingegroeid, is het beter voor de genezing om er geen verband op aan te brengen. De huid is echter nog kwetsbaar. Ter bescherming van het schuren van lakens of kleding kunt u een droog gaasje aanbrengen op het transplantaat.
- als het huidtransplantaat nog niet is gesloten, dan brengt u Mepitelverband aan met daaroverheen een gaasje;
- het gaasje over het Mepitelverband moet u iedere dag verschonen;
- het Mepitelverband is een siliconenverband dat niet aan de wond verkleeft, het kan twee tot drie dagen blijven zitten, u mag hier wel mee douchen;
- als het Mepitel verband eraf valt en de wond is nog niet helemaal droog, dan moet u een nieuw Mepitelverband op de wond aanbrengen;
- wanneer het verband aan de wond is verkleefd mag u het er nooit aftrekken, dan beschadigt de nieuwe huid. Maak het verband nat onder de douche zodat het loslaat en dep de wond voorzichtig droog.
- Wanneer het verband verwijderd is mag u douchen zonder plastic zak. Geen directe waterstraal op de wond richten.
Indien gebruik wordt gemaakt van een NDT pomp gelden bovenstaande voorschriften niet. U krijgt dan advies van de wondverpleegkundige.
Soms gaat een wond ontsteken. U moet daarom de wond regelmatig ( bij het verschonen van het verband) goed bekijken. Neem contact op met het ziekenhuis als één van onderstaande verschijnselen optreedt:
- de huid rond de wond wordt vurig rood, warm of gezwollen;
- u heeft toenemende pijn aan de wond;
- er komt pus uit de wond;
- u heeft temperatuurverhoging (boven 38,5 graden Celsius).
Via het algemene telefoonnummer van het Antoni van Leeuwenhoek 020 512 9111, kunt u contact opnemen met de polikliniek of de wondverpleegkundige. Telefoonnummers staan in hoofdstuk 5 beschreven.
Indien de hechtingen tijdens de ziekenhuisopname niet zijn verwijderd, kunt u hiervoor een afspraak maken bij uw huisarts. De verpleegkundige zal u vertellen of (soms zijn de hechtingen oplosbaar) en wanneer de hechtingen moeten worden verwijderd.
Verkleuring urine en ontlasting
Uw urine en ontlasting kunnen enkele dagen blauw/groen gekleurd zijn door de gebruikte kleurstof tijdens de schildwachtklierprocedure.
Stoelgang
Door de operatie kunnen uw darmen tijdelijk trager werken. Het gebruik van vezelrijke voeding en een ruime hoeveelheid vocht bevordert de darmwerking. De eerste week na de operatie kan uw stoelgang anders zijn dan dat u gewend bent.
Voeding
Voor uw herstel en wondgenezing is het belangrijk dat u volwaardige voeding gebruikt.
Als u vragen heeft over voeding of u heeft last van ongewenst gewichtsverlies, dan kunt u contact opnemen met de afdeling Diëtetiek.
Vermoeidheid
U kunt lange tijd last houden van vermoeidheid. Een verklaring van de vermoeidheid is er niet altijd. Het is een duidelijk signaal van het lichaam dat er een grote rust/slaapbehoefte is. Het is zinvol uw energie te verdelen over de activiteiten die voor u van belang zijn en regelmatig rust in te bouwen.
Activiteit
Wanneer de thierschplastiek op het onderbeen of de voet zit, mag u de wond een langere periode niet belasten. U moet dan op krukken lopen. Wij adviseren u om in de herstelperiode het lopen te beperken tot korte stukjes in en rond het huis. Wanneer u zit, legt u het been omhoog. De wondverpleegkundige of arts geeft aan wanneer u de wond weer mag belasten.
Preventieve maatregelen
Bescherm uw huid tegen de invloed van ultraviolette straling.
- draag beschermende kleding in de zon;
- voorkom verbranding;
- vermijd de zon zoveel mogelijk tussen 12 en 15 uur;
- gebruik tijdens zonnige perioden een anti-zonnebrandmiddel met een hoge beschermingsfactor;
- gebruik van zonneapparatuur wordt afgeraden.
Controleert u éénmaal per maand uw huid op:
- veranderingen in en om het litteken;
- nieuwe plekjes;
- veranderingen van reeds bestaande plekjes;
- zwellingen in hals, lies en oksel.
Indien u een van deze veranderingen opmerkt kunt u contact opnemen met uw huisarts of de verpleegkundig specialist of de controleafspraak bij uw behandelend arts vervroegen.
Werkhervatting
Wanneer u weer kunt werken is afhankelijk van de aard van uw werkzaamheden en van uw individuele situatie. Het is zinvol met uw behandelend arts en met uw bedrijfsarts te overleggen wanneer u uw werk kunt hervatten. Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u terecht bij het Centrum Patiënteninformatie in de centrale hal van het ziekenhuis.
Intimiteit en Seksualiteit
De diagnose en behandeling van kanker kunnen veel veranderen in uw leven en dat van uw partner. Ook het lichaamsbeeld en de lichaamsbeleving kunnen door de behandeling veranderen. Als u vragen of twijfels heeft op het gebied van intimiteit en seksualiteit kunt u terecht bij de medewerkers van de polikliniek seksualiteit en kanker.
Deze medewerkers hebben ervaring in het bespreken van problemen rondom intimiteit en seksualiteit. Bij hen kunt u met al uw vragen en twijfels op dit gebied terecht.
Voor het maken van een afspraak kunt u via het algemene telefoonnummer van het Antoni van Leeuwenhoek contact opnemen met het secretariaat Centrum voor Kwaliteit van Leven.
Concentratie
Door de narcose, medicijngebruik en de emoties rondom de operatie kunnen uw concentratie, geheugen en beoordelingsvermogen tijdelijk verminderd zijn. Houdt u hiermee rekening als u deelneemt aan het verkeer.
Verwerking
Binnen het Centrum voor Kwaliteit van Leven werkt een scala aan hulpverleners zoals maatschappelijk werkers, geestelijk verzorgers, creatief therapeuten.
Zij hebben veel ervaring met, en weten veel over, het omgaan met kanker. Zij helpen u bij het zoeken naar antwoorden op uw vragen. De hulpverleners bieden inzicht en handvatten voor het omgaan met de ziekte, de behandeling en de beperkingen die dat met zich mee kan brengen. Ook tijdens de herstelperiode na een behandeling kunnen zij ondersteuning bieden. Daarnaast kunnen zij bemiddelen en adviseren bij verwijzing naar andere instanties buiten het ziekenhuis.
Contact met het ziekenhuis
Neem contact op met het ziekenhuis als u onderstaande lichamelijke problemen ervaart:
- temperatuursverhoging boven de 38,5 graden Celsius;
- aanhoudende pijn in het wondgebied die niet met pijnstillers onder controle te krijgen is;
- andere aan de behandeling gerelateerde problemen.
Neemt u bij voorkeur contact op via het algemene telefoonnummer van het Antoni van Leeuwenhoek 020 512 9111, met de polikliniek of de wondverpleegkundige.
Voor algemene klachten verzoeken wij u eerst contact op te nemen met de huisarts.
5. Meer informatie
De zorgverleners en afdelingen van het Antoni van Leeuwenhoek zijn telefonisch bereikbaar via het algemene telefoonnummer van het ziekenhuis 020 512 9111.
Buiten kantooruren kunt u vragen naar het Weekend-, Avond-, of Nachthoofd.
Indien u contact opneemt met het ziekenhuis houdt u dan uw patiëntengegevens bij de hand.








december 2022
Praktische informatie
Contact
Ons algemene nummer is 020 512 9111. Onze telefonisten verbinden u graag door met de juiste afdeling.
Voor dringende zaken buiten kantooruren kunt u vragen naar het Weekend-, Avond- of Nachthoofd. Bel bij medische spoed altijd 112. Voor andere vragen verzoeken wij u te wachten tot de volgende werkdag.
Centrum Patiënteninformatie
Wilt u meer informatie omdat u of een naaste te maken heeft met kanker? Onze medewerkers denken graag met u mee. U kunt bellen of zonder afspraak binnenlopen.
Lees meer over het Centrum Patiënteninformatie
Centrum voor Kwaliteit van Leven
Heeft u behoefte aan professionele steun tijdens en na uw behandeling? Dan kunt u een afspraak maken bij ons centrum via uw behandelaar.
Lees meer over het Centrum voor Kwaliteit van Leven
Route & adres
U vindt meer praktische informatie over uw bezoek, de route & parkeren, onze bezoektijden en voorzieningen en diensten op onze website.