Mond- Keel- Commando + ALTlap

Inleiding

In verband met een ingreep wordt u binnenkort opgenomen in het Antoni van Leeuwenhoek. In dit document vindt u informatie over:

  1. De ingreep
  2. De periode voor de ingreep
  3. De periode na de ingreep
  4. Het ontslag
  5. Meer informatie

Het doel van dit document is om u en uw naasten te informeren over het te verwachten verloop van de opname, de ingreep en het ontslag. Wij verzoeken u deze schriftelijke informatie goed door te lezen voorafgaand aan uw afspraak met de verpleegkundige en uw eventuele vragen te noteren.

Het is goed u te realiseren dat uw persoonlijke situatie anders kan zijn dan beschreven. Het team van artsen, verpleegkundig specialisten, verpleegkundigen, fysiotherapeuten, diëtisten, logopedisten en andere disciplines dat u begeleidt, geeft u specifieke informatie over uw situatie. Wij raden u aan om altijd iemand mee te nemen naar de gesprekken met een zorgverlener. Deze schriftelijke informatie dient als aanvulling op de mondelinge informatie en als naslagwerk.

1. De ingreep

Een operatie volgens de Commandoprocedure is een operatie waarbij een tumor in de mondholte of keelholte en/of onderkaak verwijderd wordt. Ook zal (een deel van) de lymfeklieren in de hals verwijderd worden, dit heet een halsklierdissectie. De lymfeklieren worden verwijderd omdat daarin uitzaaiingen gevonden zijn of omdat er een grote kans bestaat dat er uitzaaiingen aanwezig zijn. De halsvaten worden vrijgelegd om de reconstructie mogelijk te maken. Als er bij de operatie een groot defect in de weke delen (bijvoorbeeld wangslijmvlies, tong, mondbodem, tonsil, tongbasis, gehemelte) ontstaat, kan er een reconstructie met een huidlap van het dijbeen uitgevoerd worden. Dit heet een anterolateral thigh flap (ALT). De huid met onderliggend weefsel ( evt ook met spier) en twee bloedvaten worden weggenomen en getransplanteerd naar het wondgebied in uw mond/hals. De wond op uw dijbeen is een gesloten wond, die met oplosbare hechtingen gehecht is. Deze huidlap van uw dijbeen kan verwijderd worden, zonder dat dat later ernstige gevolgen heeft voor het gebruik van uw been.

U krijgt tijdelijk een tracheotomie. Een tracheotomie is een opening in de luchtpijp (trachea), waardoor een vrije ademhaling mogelijk is. Deze operatie heeft consequenties voor de functies als spreken en articuleren, zoenen, slikken en kauwen. Ook de smaak en het gevoel in het operatiegebied kunnen deels en soms tijdelijk uitvallen. Er ontstaan littekens in de hals, het gezicht en bovenbeen. De operatieduur varieert van zeven tot tien uur.

Mogelijke complicaties

Geen enkele ingreep is zonder risico’s. Er bestaat altijd een risico op trombose (een stolsel in het bloedvat), longontsteking en wondinfectie. Bij deze ingreep bestaat er ook kans op een aantal andere complicaties. Hieronder worden de meest voorkomende of meest ingrijpende complicaties genoemd:

  • nabloeding;
  • verstoorde wondgenezing;
  • afstoting transplantaat;
  • ademhalingsproblemen;
  • infectie en fistelvorming;
  • slikproblemen;
  • spraakproblemen;
  • seroomvorming in het geopereerde been
  • verminderd gevoel rond het litteken van het geopereerde been.

De risico’s op een complicatie zijn ook verhoogd bij andere aandoeningen zoals diabetes, hart- en vaatziekten. Ook het continueren van roken en alcoholgebruik, ondervoeding en bestraling in het verleden vergroten het risico op complicaties.

Door een groot aantal maatregelen rondom de ingreep doen wij er alles aan om de risico’s zo beperkt mogelijk te houden.

Het weefselonderzoek

Het weefsel dat tijdens de ingreep wordt weggenomen, wordt door de patholoog-anatoom onderzocht. Het weefselonderzoek duurt zeven tot tien werkdagen.

Als er een deel van de onderkaak verwijderd is, moet dit botweefsel eerst een bewerking van ontkalking ondergaan alvorens te kunnen worden onderzocht. Het onderzoek duurt dan langer, de uitslag zal ongeveer drie tot vier weken na de operatie definitief bekend zijn.

De uitslag wordt door de hoofd-halschirurg met u besproken. Hij zal ook vertellen wat deze uitslag betekent voor de nabehandeling. De nabehandeling kan radiotherapie (bestraling) of een combinatie van radiotherapie en chemotherapie zijn.

2. De periode voor de ingreep

Poliklinische voorbereiding: diagnostisch onderzoek

Ter voorbereiding op de ingreepzijn een aantal onderzoeken noodzakelijk.

De Hoofdhalschirurg zal u hierover informeren.

Voor de ingreep die u ondergaat, kunnen de volgende diagnostische onderzoeken worden uitgevoerd:

  • Βiopsie of cytologische punctie voor het stellen van de juiste diagnose;
  • MRI-scan van het hoofdhalsgebied en de longen, soms ook een CT- of PET-scan;
  • echografie van de hals waarbij soms ook een punctie gedaan wordt van verdachte klieren;
  • Röntgenfoto’s van de kaak (OPG) en longen;
  • algemeen bloedonderzoek;
  • klinische foto;
  • eventueel ECG;
  • eventueel longfunctie;
  • onderzoek onder narcose (O.O.N.) is een onderzoek van de keel- en mondholte, hals en bovenste luchtwegen. Het wordt op de operatiekamer uitgevoerd, terwijl u onder narcose bent. Dit onderzoek is soms nodig om de exacte tumoruitbreiding vast te stellen en andere afwijkingen uit te sluiten. Eventueel kunnen er biopten (weefselmonsters) afgenomen worden voor onderzoek. Daarna kan de juiste behandeling vastgesteld worden. Voor een O.O.N. wordt u een dag opgenomen.

Poliklinische voorbereiding

Op de polikliniek spreekt u verschillende medewerkers:

  • De hoofd-halschirurg is eindverantwoordelijk voor uw medische behandeling en zal het behandelplan met u bespreken. Vragen over de ingreep kunt u aan hem of haar stellen. De hoofd-halschirurg zal u opereren.
  • De anesthesioloog heeft de regie over de narcose en pijnbestrijding. U ontvangt van hem of haar de informatiefolder ‘Voorbereiding op de operatie en informatie over de anesthesie’. De anesthesioloog vraagt naar uw medicijngebruik en geeft u instructie welke medicijnen er wanneer gestopt moeten worden. Indien u na de ingreep ter observatie op de Intensive Care (IC) wordt opgenomen is de anesthesioloog gedurende uw verblijf op de IC de behandelend arts.
  • De hoofdhalsverpleegkundige (HHV) informeert u over de ingreep en de periode in het ziekenhuis. Tijdens het laatste bezoek aan de polikliniek heeft u een aantal formulieren meegekregen: de verpleegkundige anamnese en de lastmeter. Deze formulieren geven behalve gegevens als telefoonnummers van uw contactpersoon en uw sociale situatie ook inzicht in uw behoefte aan verpleegkundige zorg tijdens en na de ingreep. Daarom vragen wij u om de twee formulieren in te vullen en mee te nemen naar dit poliklinische gesprek. De HHV neemt met u de verpleegkundige anamnese en de lastmeter door. De HHV kan in overleg met u andere disciplines (zoals diëtiste, maatschappelijk werkster, psychiatrisch verpleegkundige) inschakelen. De HHV zal u ook vertellen waar u meer informatie kunt vinden over uw ziekte.
  • De logopedist kan spraak- en slikrevalidatie geven. Zij komt eventueel al voor de ingreep met u kennismaken.
  • De mondhygiënist zal uw informeren over de mond- en gebitsverzorging, en de materialen die u hiervoor het beste kunt gebruiken.
  • De tandarts is verantwoordelijk voor het optimaal herstellen van uw gebit of gebitsprothese. Ook zullen zieke tanden en kiezen worden getrokken, als deze mogelijk een infectie kunnen veroorzaken tijdens een nabehandeling met bestraling.
  • De revalidatiearts kan u informeren over een revalidatieprogramma, dat u na ontslag uit het ziekenhuis kunt volgen.

De Stoppen met Roken poli

Na een operatie is er altijd sprake van een wondgebied (inwendig en uitwendig). Uit onderzoek is gebleken dat de wondgenezing veel beter verloopt als u niet rookt. Daarnaast is de kans op het krijgen van een longontsteking groter als u rookt. Daarom is het van groot belang om te stoppen met roken voor de operatie om een zo goed mogelijk beloop van de behandeling te bewerkstelligen. Het merendeel van de tumoren in het hoofd-halsgebied is het gevolg van langdurige, frequente irritatie van de slijmvliezen door alcohol en tabaksrook. Door direct en definitief te stoppen met alcohol en tabak vergroten veel patiënten met hoofd-halstumoren zelf hun kans op genezing.

Stoppen met roken en alcohol verkleint namelijk de kans op terugkeer van de tumor op dezelfde plek of het ontstaan van een nieuwe tumor elders in mond of keel. Ook neemt de kans op complicaties af. Het voorkomen van het opnieuw ontstaan van tumoren is belangrijk, omdat deze vaak moeilijker zijn te behandelen.

Het verslavende effect van alcohol en nicotine kan het stoppen moeilijk maken. U kunt het beste stoppen met roken vóór de operatie. De verpleegkundigen van de Stoppen met Roken poli van het Antoni van Leeuwenhoek kunnen u daarbij ondersteunen. Zij bieden u een gespecialiseerd begeleidingstraject, waarbij de nadruk op gewoonteverandering ligt. Vraag uw arts of verpleegkundige om meer informatie. Wilt u hulp hebben in verband met uw alcoholgebruik, dan kunt u zich het beste wenden tot uw huisarts.

Voeding

Kanker kan veel van uw lichaam vergen. Wanneer u in een goede conditie verkeert kunt u de behandeling doorgaans goed aan en herstelt u sneller. Voeding en beweging spelen een belangrijke rol bij het in stand houden of opbouwen van uw conditie. Uw behoefte aan energie en eiwitten is verhoogd terwijl de inname van voeding door klachten bemoeilijkt kan zijn, bijvoorbeeld door locatie van de tumor en/of ontregeling van de stofwisseling veroorzaakt door de tumor.

Heeft u vragen over voeding of ervaart u ongewenste gewichtsveranderingen die samenhangen met uw ziekte dan kunt u bij een van onze diëtisten een afspraak maken op de polikliniek. Zie voor meer informatie de folder ‘Voeding bij kanker’ van KWF Kankerbestrijding en de website www.voedingenkankerinfo.nl

Zodra de opnamedatum en/of operatiedatum bekend is, neemt de afdeling Opname twee weken voor de geplande opname/operatie datum telefonisch of schriftelijk contact met u op.

Dag van opname

Afhankelijk van de ingreep wordt u één dag voor de ingreep óf op de dag van de ingreep opgenomen in het ziekenhuis. Op de dag van opname meldt u zich bij de receptie in de centrale hal. De receptionist(e) verwijst u naar de verpleegetage. Daar wordt u door een verpleegkundige naar uw kamer gebracht.

Op de dag van opname spreekt u de volgende medewerkers:

  • De verpleegkundige informeert u over de ingreep en de periode in het ziekenhuis. Hij of zij neemt met u de verpleegkundige anamnese door en bespreekt de lastmeter. Hij of zij kan in overleg met u andere disciplines (zoals diëtiste, maatschappelijk werker) inschakelen. Tijdens uw verblijf op de afdeling coördineert de verpleegkundige de zorg en biedt u ondersteuning en begeleiding.
  • De verpleegkundige vertelt u welke slaap- en premedicatie de anesthesioloog heeft voorgeschreven en vanaf welk tijdstip u niet meer mag eten en drinken. Ook hoort u van de verpleegkundige op welk tijdstip de ingreep is gepland; dit is een schatting.
  • Tijdens uw verblijf op de afdeling coördineert de verpleegkundige de zorg en biedt ondersteuning en begeleiding.
  • De afdelingsarts stelt zich op de hoogte van uw huidige gezondheidstoestand en verricht lichamelijk onderzoek. Tijdens uw opname stelt hij of zij zich dagelijks op de hoogte van uw situatie tijdens de artsenronde en informeert u over het medische beleid. De afdelingsarts staat in nauw contact met uw chirurg.
  • De fysiotherapeut zal u informeren over het functioneren van alle spieren en houding van uw hoofd, arm en schouder na de ingreep. Het is belangrijk dat u voor de ingreep al start met oefeningen met uw ademhaling en spieren. De fysiotherapeut zal u hiervoor de instructies geven. Problemen als longontsteking en bewegen kunnen hierdoor voorkomen worden.
  • De fysiotherapeut geeft u ademhalingsoefeningen om problemen met de longen na de ingreep te voorkomen. Ook begeleidt de fysiotherapeut indien nodig u bij het mobiliseren na de ingreep
  • De hoofdhals-chirurg spreekt kort met u om na te gaan of u nog vragen heeft over de ingreep.
  • De diëtiste adviseert u zo nodig over voeding. In sommige gevallen geeft zij een sondevoedingsadvies door aan de verpleegkundige.

Ter voorbereiding op de operatie vindt een aantal handelingen plaats:

  • U krijgt een sonde die van de neus tot in het duodenum (= eerste stukje van de darm) loopt, de verpleegkundige zal deze bij u inbrengen. De sonde zal tijdens de nacht door de maag- en darmpersistaltiek voorbij de maag in uw darm aan komen. Door deze sonde zal snel na de operatie al volwaardige voeding gegeven kunnen worden.
  • U krijgt de gelegenheid om samen met uw naasten de Intensive Care (IC) te bezoeken om een indruk te krijgen van deze afdeling, waar u direct na de operatie verblijft.
  • Voor de nacht krijgt u de medicatie, die door de anesthesioloog is afgesproken.

Voor de ingreep

Op de dag van de ingreep kunt u zich wassen of douchen zoals u gewend bent. U wordt verzocht uw huid niet in te smeren met crème of lotion. U krijgt een operatiehemd van de verpleegkundige. Protheses (zoals een gebit), hulpmiddelen (zoals een bril of lenzen), sieraden, make-up en nagellak dient u te verwijderen voordat u naar de operatiekamer gaat. Als u een hoorapparaat heeft, kunt u deze inhouden.

Indien u dit met de anesthe­sioloog heeft afgesproken krijgt u voor de ingreep een tablet, zodat u zich beter kunt ontspannen. De verpleegkundige brengt u naar de voorbereidingsruimte van de operatiekamer. Daar wordt u ontvangen door een medewerker van de operatiekamer.

De hoofd-hals chirurg komt bij u langs om te informeren of u nog vragen heeft en om de te opereren zijde te markeren. Dit kan ook nog plaatsvinden op het operatiecomplex vlak voordat u naar de operatiekamer gaat.

Voor de ingreep krijgt u een infuus waardoor de medicijnen voor de narcose worden toegediend. Ook krijgt u een zeer dun ‘slangetje’ (epiduraalkatheter) in de rug aangebracht. Via dit ‘slangetje’ krijgt u tijdens en na de ingreep pijnbestrijding.

Afhankelijk van de plaats van de epiduraalkatheter wordt er een blaaskatheter ingebracht voor de afvloed van urine.

3. De periode na de ingreep

Na de ingreep blijft u minimaal 1 dag op de Intensive Care, waar de anesthesioloog verantwoordelijk is voor de medische behandeling en controles. Hij of zij beoordeelt samen met de chirurg wanneer u terug gaat naar de verpleegafdeling. Bezoek ontvangen op de intensive care is mogelijk. Uw naasten kunnen met de IC-verpleegkundige afspraken maken over het bezoek.

Op de verpleegafdeling komt de afdelingsarts elke dag bij u langs om samen met u en met de verpleegkundige de voortgang van uw herstel te bespreken. Tijdens deze visite worden nieuwe afspraken gemaakt. De afdelingsarts spreekt met de behandelend specialist over het verloop van uw herstel. De chirurg komt regelmatig bij u langs.

Fraxiparine

Na de ingreep krijgt u dagelijks een injectie met het middel Fraxiparine (in uw buik, bovenbeen of bovenarm), totdat u weer voldoende actief bent. Fraxiparine voorkomt een stolsel in een bloedvat (trombose).

Katheters, lijnen en drains

  • Na de ingreep heeft u mogelijk een aantal ‘slangen’:
  • Een infuus voor vocht- en medicatietoediening. Dit infuus kan zich in een ader in de arm en/of onder het sleutelbeen en/of in de hals bevinden. Zodra u voldoende vocht en voeding via de sonde krijgt en geen medicatie via het infuus nodig heeft, wordt het infuus verwijderd.
  • Een slangetje voor de toediening van extra zuurstof via de tracheotomie.
  • Meestal is het toedienen van extra zuurstof alleen nodig in de eerste 24 uur na de ingreep.
  • Een blaaskatheter voor de afvloed van urine. De blaaskatheter wordt na een of twee dagen verwijderd.
  • Drie of meerdere wonddrains uit het operatiegebied in uw hals en been voor de afvloed van wondvocht. Afhankelijk van de hoeveelheid wondvocht wordt deze verwijderd.
  • Een voedingssonde via de neus en de maag in de dunne darm voor het toedienen van sondevoeding (dit is de sonde die voor de ingreep door de verpleegkundige is ingebracht). Zodra u in staat bent voldoende te eten en drinken, wordt de voedingssonde verwijderd.

Pijn

Goede pijnbestrijding is belangrijk om goed door te kunnen ademen, te hoesten, te bewegen en in- en uit bed te komen. Als u pijn heeft, is het belangrijk dat u dit aangeeft. Door pijnmedicatie op vaste tijden te gebruiken, wordt er in uw bloed een spiegel van de werkzame stof opgebouwd. Hierdoor is de pijnmedicatie effectiever.

De verpleegkundige zal u drie maal per dag vragen om uw pijn te omschrijven met een cijfer van 0 tot 10.

Misselijkheid

Misselijkheid na de ingreep komt regelmatig voor. Misselijkheid kan worden veroorzaakt door de narcose en door de ingreep zelf. Als u misselijk bent, is het belangrijk dat u dit aangeeft. De verpleegkundige kan u medicijnen geven om misselijkheid tegen te gaan.

Wond

De verpleegkundige inspecteert dagelijks de wond en verbindt deze zo nodig. De hechtingen van de wond worden 8 dagen na de ingreep verwijderd. Als u in het verleden in het wondgebied bent bestraald worden de hechtingen na 10 dagen verwijderd. De wond in de mond, tong en het dijbeen is met oplosbare hechtingen gesloten. Deze lossen na twee tot drie weken op. Het gevoel van de huid rondom het litteken is na de ingreep vaak veranderd. Ook uw oor kan verdoofd aanvoelen. Dit gevoel kan nog lang aanhouden, maar herstelt zich over het algemeen wel.

Mondverzorging

De hoofd-halschirurg zal de wond en het transplantaat in uw mond regelmatig controleren. Na een ingreep in het hoofd-halsgebied is het belangrijk om uw mond en tong goed te verzorgen en schoon te houden. U krijgt daarom van ons een monddouche. De wond kan dan beter genezen. Omdat u niet mag eten en drinken, is er een kans op ontsteking van de slijmvliezen. Met een goede verzorging van de mond kunnen sommige problemen worden voorkomen.

Tanden poetsen is de eerste dagen niet goed mogelijk. Als u een gebitsprothese heeft kunt u die niet dragen. De verpleegkundige zal u helpen met het verzorgen van uw mond, de eerste dagen wordt uw mond gespoeld met een fysiologische zoutoplossing. De verpleegkundige informeert u hoe u uw mond zelf kunt verzorgen en welke materialen u hiervoor kunt gebruiken. De mondhygiënist zal ook gevraagd worden u te helpen en informeren.

Tracheotomie en tracheacanule

Na de ingreep kunt u niet via de normale ademhalingsweg (mond en keelgebied) ademen. U heeft een tracheotomie met een cuffcanule gekregen. De canule is een pijpje dat via een opening in de hals in uw luchtpijp wordt geplaatst. Via de canule kunt u ademhalen.

De cuff is een ballonnetje, dat rondom de canule in de luchtpijp zit. De cuff kan via een ventielslangetje opgeblazen en weer leeggezogen worden. Een opgeblazen cuff vangt vocht op (zoals speeksel of bloed) vanuit het mond-keelgebied. Zo kan dit vocht niet in de longen lopen. Als de cuff leeggehaald wordt, zal dit vocht via de canule weggezogen worden met een uitzuigapparaat.

Als de cuff gedurende 24 uur niet gebruikt hoeft te worden, zal de cuffcanule gewisseld worden voor een gewone tracheacanule. De arts zal de canule wisselen, dit is voor u niet heel belastend. Er is geen narcose of verdoving voor nodig.

Een tracheacanule bestaat uit een buitencanule en een binnencanule. De buitencanule zit in de luchtpijpopening en zit vast met hechtingen of met een bandje om uw hals. De binnencanule zit in de buitencanule. De binnencanule kan verwijderd worden voor o.a. het schoonmaken. Een tracheotomie kan veel irritatie geven aan de luchtpijp en longen. U kunt last hebben van slijm, waardoor u vaak moet hoesten. De verpleegkundige zal u ondersteunen en via de canule het slijm wegzuigen. Op de canule wordt een filterdopje geplaatst om bescherming te bieden aan de longen en luchtpijp. Het is een warmte- en vochtwisselaar, die de werking van de neus en keel nabootst door de inademingslucht te zuiveren, te bevochtigen en te verwarmen.

De tracheacanule behoeft speciale verzorging en het slijm zal regelmatig weggezogen moeten worden. De verpleegkundige zal de tracheotomie verzorgen en uitzuigen. Ze zal u over de verzorging alle uitleg geven. Als het mogelijk is kunt u meehelpen met deze verzorging, u kunt met een spiegeltje meekijken en handelingen zelf leren uitvoeren. De verpleegkundige zal dit met u bespreken. Na enige tijd, als de zwelling in het mond- en keelgebied afneemt kunt u via de normale ademhalingsweg weer (gedeeltelijk) ademen. Dit zal ongeveer na acht tot tien dagen zijn. Dan heeft u de canule niet meer nodig.

Als u via de normale weg weer kunt ademhalen, heeft u de canule niet meer nodig. De canule kan dan verwijderd worden.

Voordat de canule verwijderd wordt krijgt u een afsluitdopje op de canule. Hiermee kunt u oefenen hoe lang u zonder problemen via de normale weg kunt ademen. Als u gedurende minimaal 24 uur via de normale weg kunt ademen, wordt de canule verwijderd door de verpleegkundige. Het wondje wordt het canulegat genoemd, en zal een paar keer per dag verbonden worden. Er zal via het canulegat nog lucht en slijm komen. Lekkage van lucht en slijm kan tegengehouden worden door een juiste manier van verbinden en door het ex-canulegat met uw vingers dicht te drukken. De verpleegkundige zal u vertellen hoe u dat kunt doen. Het ex-canulegat zal na enkele dagen genezen zijn. Als dit langer duurt, zal de arts een paar hechtingen plaatsen om het sluiten te bevorderen.

Communicatie (na een tracheotomie / tracheacanule)
Als er een canule is geplaatst, gaat de uitademingslucht niet via de stembanden naar uw keel en mond. Daardoor kunt u de eerste zes tot acht dagen niet spreken. Het is belangrijk om op te schrijven wat u wilt vragen of zeggen. Als de tracheotomie afgedopt is of verwijderd is, kunt u weer spreken. Het spreken kan bemoeilijkt worden door de veranderingen in uw mond. De logopediste helpt u bij het oefenen van een goed verstaanbare spraak.

Mobiele en fysieke activiteit

Vanaf de dag na de ingreep mag u uit bed. Dit is zeer belangrijk voor uw herstel en het voorkomen van complicaties zoals trombose, longontsteking en een vertraagde stoelgang. Om trombose (bloedprop in het bloedvat) te voorkomen krijgt u na de ingreep dagelijks een injectie met het middel Fraxiparine in uw buik of bovenbeen. Fraxiparine kan gestopt worden totdat u weer voldoende mobiliseert.

U zult merken dat de activiteiten die voor de ingreep vanzelfsprekend waren, nu veel inspanning kosten. U zult uw energie moeten verdelen over de dag. Door de wond en de aanwezigheid van een aantal ‘slangen’ wordt u weliswaar beperkt in uw bewegingsvrijheid, maar al vanaf de eerste dag na de operatie mag u proberen te lopen. Onder begeleiding van de verpleegkundige en/of fysiotherapeut zult u in de dagen die volgen toenemend zelfstandig worden.

U zult steeds vaker en langer uit bed komen. Het streven is om u zo snel mogelijk dri maal per dag op de gang te laten wandelen. Uw familie mag u daarbij ook helpen.

Houding in bed

In bed kunt u het beste half zittend liggen en slapen. Dit is belangrijk voor de spieren in uw schouder en hals, voor de doorbloeding en afvloed van het vocht.

Stoelgang

Na de ingreep functioneren de maag en darmen tijdelijk minder goed. Hierdoor kunt u misselijk zijn en kan de stoelgang vertraagd zijn. Het duurt een paar dagen voor de maag en de darmen weer op gang komen en u weer ontlasting heeft. Dit gaat vaak gepaard met misselijkheid en krampen. Als het nodig is schrijft de afdelingsarts medicijnen voor om de stoelgang op gang te brengen.

Voeding

U mag de eerste acht tot tien dagen niet eten en drinken. De wond in uw mond moet schoon blijven en eerst genezen. De voedingssonde wordt de avond voor de operatie al ingebracht. U krijgt via de sonde sondevoeding, water en medicijnen toegediend. Sondevoeding is vloeibare volwaardige voeding. De diëtiste geeft een sondevoedingsadvies door aan de verpleegkundige. Als de wond in uw mond voldoende genezen is, kunt u weer zelf drinken en eten. Slikken en kauwen kunnen moeilijk zijn door de veranderingen in uw mond. De logopedist helpt u bij het oefenen met slikken.

Als u weer voldoende kunt eten en drinken, zal de sondevoeding gestopt worden en de sonde verwijderd worden.

Uiterlijk en functiebeperking

Uw hals en gezicht zien er na de ingreep anders uit door de wond en zwelling. De zwelling aan de geopereerde zijde ontstaat doordat de afvloed van lymfevocht stagneert. Het lymfevocht moet nu een andere weg zoeken. Na enkele weken zult u merken dat uw gezicht minder gezwollen is.

Als u rechtop zit en halfzittend slaapt, kunt u ernstige toename van zwelling in uw gezicht beperken. Ook door regelmatig uit bed te komen kunt u dit bereiken.

Als u zich voor de eerste keer weer in de spiegel ziet, kunt u schrikken van uw veranderde uiterlijk. Het is voor het verwerken en accepteren van deze veranderingen belangrijk hierover te praten met uw familie en/of verpleegkundige. Een maatschappelijk werker kan u hierbij ook ondersteunen.

Ademhaling
Om de functie van de longen zo optimaal mogelijk te houden is de zorg voor de ademhaling van groot belang. Een optimale longfunctie wordt onder andere bereikt door:

  • regelmatig uit bed te gaan en te bewegen;
  • goede pijnbestrijding;
  • ademhalingsoefeningen;
  • het ophoesten van slijm;
  • halfzittende houding in bed;
  • niet te roken.

Wisselend verloop
Tijdens uw opname zult u merken dat u zich de ene dag beter voelt dan de andere dag. Dit kan zowel op lichamelijk als op emotioneel gebied zijn. De verpleegkundige kan u hierin ondersteuning bieden.

Daarnaast kunt u gebruik maken van de medewerkers van de Dienst Begeleiding en Ondersteuning (DBO). Bij de DBO werken deskundigen die u en uw naasten psychosociale ondersteuning kunnen bieden. Uw verpleegkundige kan u in contact brengen met de DBO.

4. Het ontslag

Het moment van ontslag is afhankelijk van uw herstel en zelfstandigheid. Over het algemeen kunt u na ongeveer 18 dagen het ziekenhuis verlaten.

U verlaat op de dag van ontslag tussen 10.00 en 10.30 uur het ziekenhuis. Wanneer u thuishulp nodig heeft van de thuiszorg, bespreek het tijdig met uw verpleegkundige en behandelend arts. De transferverpleegkundige zal ingeschakeld worden, zij stelt de indicatie vast voor de zorg na het ziekenhuis en gaat dit voor u aanvragen.

De verpleegkundige voert een ontslaggesprek met u. Bij voorkeur is hierbij een naaste aanwezig. Tijdens het gesprek wordt teruggekeken op uw verblijf in het ziekenhuis en wordt u voorbereid op de periode die zal volgen na ontslag.

Er is een gericht revalidatieprogramma, waarbij u met professionele begeleiding kunt werken aan het verminderen van de lichamelijke en psychische gevolgen en het verbeteren van uw conditie en kwaliteit van leven. Zie folder “Revalidatieprogramma voor hoofd-halskanker-patiënten”. U kunt zich er voor aanmelden en een afspraak laten maken bij de revalidatiearts. Bij ontslag krijgt u een afspraak mee voor poliklinische controle bij hoofd-halschirurg, hoofd-halsverpleegkundige en de tandarts/mondhygiëniste. Eventueel krijgt u ook een afspraak met de logopediste, diëtiste, fysiotherapeut en revalidatiearts. Als u nabehandeld wordt met radiotherapie of radiotherapie/chemotherapie, dan volgen poliklinische afspraken met de radiotherapeut en internist.

Uw huisarts wordt op de hoogte gesteld van de ingreep, het verloop van herstel tijdens de ziekenhuisopname en de eventuele vervolgbehandeling.

De periode na het ontslag

Na het ontslag uit het ziekenhuis kunt u uw dagelijkse activiteiten weer geleidelijk uitbreiden tot uw normale niveau. Zorg daarbij voor een dagritme waarbij na activiteiten rustmomenten worden ingelast. Het is moeilijk aan te geven wanneer u weer helemaal van de ingreep bent hersteld. Dit hangt af van de grootte en de complexiteit van de ingreep, uw conditie en eventuele voor- of nabehandeling.

Wij willen u een aantal adviezen meegeven.

Pijn
De pijnstillers die u tijdens de opname in het ziekenhuis gebruikte, kunt u thuis afbouwen op geleide van uw pijnklachten. Ook als u weinig pijnklachten ervaart , is het verstandig om de pijnstillers zo in te nemen, dat u diep kunt doorademen en nagenoeg pijnvrij kunt hoesten.

U kunt het volgende schema volgen:

  • Verminder en stop eerst de Ibuprofen. U kunt stoppen met het gebruik van Pantozol (maagbeschermer) zodra u bent gestopt met Ibuprofen.
  • Blijf Paracetamol drie tot vier maal daags 1000 mg als basis gebruiken. Paracetamol kunt u afbouwen door de middaginname over te slaan. Daarna kunt u twee maal daags 500 mg innemen en vervolgens stoppen.

Wond

U zult nog zorgvuldig moeten omgaan met de wonden. De verpleegkundige zal u informeren over de speciale verzorging voor elke wond. Indien nodig wordt ondersteuning van de wijkverpleegkundige bij de wondzorg geregeld.

Soms gaat een wond ontsteken. U moet daarom de wond dagelijks bekijken. Neem contact op met het ziekenhuis als één van onderstaande verschijnselen optreedt:

  • de huid rond de wond wordt vurig rood, warm of gezwollen;
  • u heeft toenemende pijn aan de wond;
  • er komt pus uit de wond;
  • u heeft temperatuursverhoging (boven 38,5 graden Celsius).

U kunt tijdens kantooruren contact opnemen met de verpleegkundige, verpleegkundig specialist via het algemene telefoonnummer. Buiten kantooruren neemt u contact op met het Wanhoofd (Weekend avond nachthoofd) via het algemene telefoonnummer van het ziekenhuis. Bereikbaarheid staat in hoofdstuk 5 beschreven.

Seroomvorming (vochtophoping) geopereerde bovenbeen

Seroom is een ander woord voor wondvocht. Het is eiwitrijk vocht dat zich ophoopt in de wondholte. De wondholte ontstaat omdat de chirurg weefsel, tijdens de operatie, weghaalt uit het lichaam. Iedere wondholte vult zich na de operatie altijd met seroom. Om deze reden is er een drain in de wond geplaatst, zodat het seroom opgevangen kan worden in een flesje. Als de drain is verwijderd, heeft het lichaam tijd nodig om voor het seroom een afvoerweg te creëren. De afvoer van het seroom gebeurt via het lymfestelsel. Het is belangrijk om zo min mogelijk seroom te ontwikkelen. Dit om de wondgenezing te helpen. Seroom hindert de wondgenezing.

Uit onderzoek blijkt dat de seroomproduktie in relatie staat met de hoeveelheid activiteit: hoe actiever u bent, hoe meer seroomvorming.

Tips om seroomvorming te voorkomen:

  • De eerste twee weken “scharrelen”, d.w.z. ieder uur 5- 10 minuten lopen afgewisseld met rust in zit.
  • Zitten met het been hoog, knie ondersteund en de voet vrij om deze te kunnen bewegen. De voet draaien en op en neer bewegen;dit worden spierpompoefeningen genoemd. Dit is ook belangrijk om een trombose te voorkomen .
  • Alleen trap lopen om naar bed te gaan en op te staan.
  • Voorkom piekbelasting; zwaar tillen (boodschappentassen), kracht zetten, persen (stoelgang). Dit alles geeft een bloeddrukverhoging met gevolg dat er seroom in de wond geperst wordt.
  • Na deze eerste 2 weken ‘ scharrelen” de dagelijkse activiteiten uitbreiden. U kunt gerust een boodschap doen, maar niet zwaar tillen (piekbelasting). Deze periode duurt 4-5 weken.

De totale wondgenezingperiode duurt ongeveer 6-7 weken!

Bij dusdanige seroomvorming, wat het dagelijks functioneren belemmert, is het verstandig om contact op te nemen met de hoofdhalschirurg. Dit geldt ook als het seroom zich verhard, dus minder indrukbaar is geworden. De hoofdhalschirurg beoordeelt of er een punctie nodig is.

Mondverzorging

Het is belangrijk om uw mond goed te verzorgen en schoon te houden. Spoel uw mond na iedere maaltijd en zo nodig tussendoor. U kunt hiervoor (kraan)water of een fysiologische zoutoplossing gebruiken. U kunt zelf een fysiologische zoutoplossing maken door één theelepel keukenzout in één liter gekookt water op te lossen en dit vervolgens te laten afkoelen. Poets ook tweemaal daags uw gebit. Als u na de ingreep een (nieuwe) gebitsprothese nodig heeft, krijgt u een afspraak bij de tandarts in het ziekenhuis.

Communicatie

Als het spreken op het moment van ontslag nog niet goed genoeg is, zal de logopediste u poliklinisch hulp kunnen bieden. Zij kan u ook verwijzen naar een logopediste bij u in de buurt.

Stoelgang

In de periode na de ingreep kan de stoelgang anders zijn dan u gewend was voor de ingreep. Het kan enige tijd duren totdat dit weer normaal is.

Voeding

Voor uw herstel en wondgenezing is het belangrijk dat u volwaardige voeding gebruikt. Het kan zijn dat u nog niet alles kunt eten en aangewezen bent op vloeibare of gepureerde voeding. De diëtiste zal u hierover informeren. Zij kan u adviseren om caloriedranken te gebruiken, zij zal dan een aanvraag voor de vergoeding naar uw verzekering sturen. Het is tevens belangrijk dat u voldoende drinkt: in ieder geval 1½ tot 2 liter per dag. Als u vragen heeft over voeding of u heeft last van ongewenst gewichtsverlies, dan kunt u contact opnemen met de afdeling Diëtetiek.

Uiterlijk en functiebeperking

Het kan moeilijk zijn om met de beperkingen of veranderd uiterlijk om te gaan. Het is ook moeilijk als u niet voor iedereen goed verstaanbaar kunt spreken. Het kan confronterend zijn andere mensen te ontmoeten. Hoe moeilijk het waarschijnlijk ook is, het is niet goed contacten met anderen te vermijden. U komt dan steeds verder van de mensen om u heen af te staan, waardoor u zich erg alleen kunt gaan voelen. Blijf praten over de beperkingen en uw gevoelens, probeer bezoek te ontvangen en naar buiten te gaan. U kunt hulp krijgen van het Centrum voor Kwaliteit van Leven (CKvL).

Vermoeidheid

U kunt lange tijd last houden van vermoeidheid. Een verklaring van de vermoeidheid is er niet altijd. Het is een duidelijk signaal van het lichaam dat er een grote rust/slaapbehoefte is. Het is zinvol uw energie te verdelen over de activiteiten die voor u van belang zijn en regelmatig rust in te bouwen

Activiteit

Regelmatige lichaamsbeweging is belangrijk voor de opbouw van uw conditie. U zult de eerste tijd niet intensief kunnen sporten of zwaar huishoudelijk werk doen. Zwemmen mag bij een gesloten wond (de hechtingen moeten dan wel verwijderd zijn). Er bestaan verschillende mogelijkheden met betrekking tot revalidatie. Voor meer informatie over nazorg en revalidatie kunt u terecht bij het Centrum Patiënteninformatie.

Werkhervatting

Wanneer u weer kunt werken is afhankelijk van de aard van uw werkzaamheden en van uw individuele situatie. Het is zinvol met uw behandelend arts en met uw bedrijfsarts te overleggen wanneer u uw werk kunt hervatten. Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u terecht bij het Centrum Patiënteninformatie in de centrale hal van het ziekenhuis.

Intimiteit en seksualiteit

Er zijn geen medische bezwaren om uw seksuele gewoontes van voor de operatie weer op te pakken. De diagnose en behandeling van kanker kunnen veel veranderen in uw leven en dat van uw partner. Ook het lichaamsbeeld en de lichaamsbeleving kunnen door de behandeling veranderen. Als u vragen of twijfels heeft op het gebied van intimiteit en seksualiteit kunt u terecht bij de medewerkers van de Polikliniek Intimiteit Seksualiteit en Kanker. Zij hebben ervaring in het bespreken van problemen op dit gebied. Voor het maken van een afspraak kunt u contact opnemen met het secretariaat van het Centrum voor Kwaliteit van Leven.

Concentratie

Door de narcose, medicijngebruik en de emoties rondom de ingreep kunnen uw concentratie, geheugen en beoordelingsvermogen tijdelijk verminderd zijn. Houdt u hiermee rekening als u deelneemt aan het verkeer.

Verwerking

Bij het Centrum voor Kwaliteit van Leven werken hulpverleners zoals maatschappelijk werkers, geestelijk verzorgers, psychiatrisch verpleegkundige, creatief therapeuten. Zij hebben veel ervaring met, en weten veel over, het omgaan met kanker. Zij helpen u bij het zoeken naar antwoorden op uw vragen. De hulpverleners bieden inzicht en handvatten voor het omgaan met de ziekte, de behandeling en de beperkingen die dat met zich mee kan brengen. Ook tijdens de herstelperiode na een behandeling kunnen zij ondersteuning bieden. Daarnaast kunnen zij bemiddelen en adviseren bij verwijzing naar andere instanties buiten het ziekenhuis.

Continuïteitsbezoek

De mogelijkheid bestaat om een continuïteitsbezoek aan te vragen. Een wijkverpleegkundige gespecialiseerd in de zorg voor kankerpatiënten, komt dan op afspraak bij u thuis. Zij neemt uw vragen met u door, geeft praktische adviezen en biedt begeleiding. Het continuïteits- bezoek wordt onder meer aangeboden door diverse reguliere thuiszorgorganisaties. Informeer bij de thuiszorgorganisatie in uw woonplaats.

Daarnaast biedt Care For Cancer ook het continuïteitsbezoek in heel Nederland aan. U kunt hen vinden via de website www.careforcancer.nl. U kunt zelf contact opnemen met een van deze organisaties. Ook kunt u uw huisarts vragen om het telefoonnummer van de thuiszorgorganisaties waar uw huisarts contact mee heeft

Contact met het ziekenhuis

Neem contact op met het ziekenhuis als u onderstaande lichamelijke problemen ervaart:

  • problemen met de wond(en);
  • tekenen van wondinfectie: roodheid, zwelling, pijn, pus;
  • aanhoudende misselijkheid en braken, niet kunnen eten en meer dan twee kilo per week afvallen;
  • temperatuursverhoging boven de 38,5 graden Celsius;
  • aanhoudende pijn in het wondgebied die niet met pijnstillers onder controle te krijgen is;
  • benauwdheid en hoesten;
  • andere aan de behandeling gerelateerde problemen.

Neemt u bij voorkeur via het algemene telefoonnummer van het Antoni van Leeuwenhoek 020 512 9111, contact op met de polikliniek. Voor algemene klachten verzoeken wij u eerst contact op te nemen met de huisarts.

5. Meer informatie

Voor aanvullende vragen kunt u ook terecht op het telefonisch spreekuur. U vindt informatie over de bereikbaarheid van de spreekuren op: www.avl.nl/spreekuren.

Praktische informatie

Contact

Ons algemene nummer is 020 512 9111. Onze telefonisten verbinden u graag door met de juiste afdeling.

Voor dringende zaken buiten kantooruren kunt u vragen naar het Weekend-, Avond- of Nachthoofd. Bel bij medische spoed altijd 112. Voor andere vragen verzoeken wij u te wachten tot de volgende werkdag.

Centrum Patiënteninformatie

Wilt u meer informatie omdat u of een naaste te maken heeft met kanker? Onze medewerkers denken graag met u mee. U kunt bellen of zonder afspraak binnenlopen.

Lees meer over het Centrum Patiënteninformatie

Centrum voor Kwaliteit van Leven

Heeft u behoefte aan professionele steun tijdens en na uw behandeling? Dan kunt u een afspraak maken bij ons centrum via uw behandelaar.

Lees meer over het Centrum voor Kwaliteit van Leven

Route & adres

U vindt meer praktische informatie over uw bezoek, de route & parkeren, onze bezoektijden en voorzieningen en diensten op onze website.

Praktische informatie

onload