Oog - Exenteratio orbita

Inleiding

In verband met een ingreep wordt u binnenkort opgenomen in het Antoni van Leeuwenhoek. In dit document vindt u informatie over:

  • De ingreep
  • De periode voor de ingreep
  • De periode na de ingreep
  • Het ontslag
  • Meer informatie

Het doel van dit document is om u en uw naasten te informeren over wat u kunt verwachten tijdens de opname, de operatie en het ontslag.

Wij vragen u om deze informatie goed door te lezen vóór uw afspraak met de verpleegkundige. Schrijf uw vragen alvast op, zodat u ze tijdens het gesprek kunt stellen.

Het is belangrijk om te weten dat uw situatie anders kan zijn dan hier staat beschreven. Het team dat u begeleidt – zoals artsen, verpleegkundigen, fysiotherapeuten, diëtisten en logopedisten – geeft u informatie die past bij uw persoonlijke situatie.

Wij adviseren u om iemand mee te nemen naar gesprekken met uw zorgverlener. Twee horen meer dan één.

Deze informatie op papier is een aanvulling op de uitleg die u krijgt tijdens de gesprekken. U kunt het later nog eens rustig nalezen.

In dit document vindt u informatie over exenteratio orbitae (verwijderen van de inhoud van de oogkas met tumor).

1. De ingreep

U wordt opgenomen voor het verwijderen van een tumor met ingroei in de oogkas (orbitae = oogkas). Hiervoor wordt de inhoud van de oogkas verwijderd. U verliest hierbij uw oog. Het is mogelijk dat ook een deel van uw neus of bovenkaak verwijderd wordt.

Na het verwijderen van de tumor en de inhoud van uw oogkas met uw oog ontstaat er een groot defect of holte, die op verschillende manieren hersteld kan worden.

  • De oogkas blijft open. Met een huidtransplantaat wordt een bedekkende laag aangebracht.
  • Een huidtransplantaat (Thierschplastiek) is een dun laagje huid, dat van uw bovenbeen gehaald wordt en getransplanteerd wordt naar de holte van uw oogkas.
  • Een groter defect kan gereconstrueerd worden met een vrij gevasculariseerde (dit is: bloedvoorziening blijft behouden) spier- en huidlap (b.v. Rectus Abdominuslap, een grote spier uit de buikwand met bloedvat).

Na enkele maanden wordt een siliconen gelaatsprothese gemaakt.

De hoofd-halschirurg informeert u over de grootte van de ingreep, de reconstructie en de mutilatie (verminking).

Deze operatie heeft consequenties voor uw gezichtsvermogen en uw uiterlijk. Het gevoel in het operatiegebied zal deels, soms tijdelijk, uitvallen.

De operatie duurt drie uur (reconstructie huidtransplantaat). De operatie met reconstructie spier- en huidlap duurt langer, ongeveer acht uur.

Mogelijke complicaties

Geen enkele ingreep is zonder risico’s. Er bestaat altijd een risico op trombose (een stolsel in het bloedvat), longontsteking en wondinfectie. Bij deze ingreep bestaat er ook kans op een aantal andere complicaties. Hieronder worden de meest voorkomende of meest ingrijpende complicaties genoemd:

  • nabloeding
  • infectie
  • verstoorde wondgenezing
  • afstoting transplantaat spier
  • open verbinding naar de neus
  • verstoorde wondgenezing
  • afstoting Thierschplastiek

De risico’s op een complicatie zijn ook verhoogd bij andere aandoeningen zoals diabetes en hart- en vaatziekten. Ook het continueren van roken en alcoholgebruik, ondervoeding en bestraling in het verleden vergroten het risico op complicaties.

Door een groot aantal maatregelen rondom de ingreep doen wij er alles aan om de risico’s zo beperkt mogelijk te houden.

Het weefselonderzoek

Het weefsel dat tijdens de ingreep wordt weggenomen, wordt door de patholoog anatoom onderzocht. De uitslag van dit onderzoek kan zeven dagen na de operatie definitief bekend zijn. Het onderzoek kan langer duren als er botweefsel (van oogkas of bovenkaak) onderzocht moet worden. Dit komt omdat het botweefsel eerst een bewerking van ontkalking moet ondergaan alvorens te kunnen worden onderzocht. De uitslag is dan pas na circa drie tot vier weken bekend.

De uitslag wordt door de hoofd-halschirurg op de polikliniek met u besproken. Hij vertelt ook wat deze uitslag betekent voor de nabehandeling. De nabehandeling kan radiotherapie zijn.

2. De periode voor de ingreep

Poliklinische voorbereiding: diagnostisch onderzoek

Ter voorbereiding op de ingreep zijn er een aantal onderzoeken noodzakelijk. Uw chirurg heeft u hierover geïnformeerd.

De volgende diagnostische onderzoeken worden uitgevoerd:

  • biopsie of cytologische punctie voor het stellen van de juiste diagnose
  • MRI-scan van het hoofdhalsgebied en de longen, soms ook een CT- of PET-scan
  • echografie van de hals waarbij soms ook een punctie gedaan wordt van verdachte klieren
  • röntgenfoto’s longen
  • algemeen bloedonderzoek
  • klinische foto
  • eventueel ECG
  • eventueel longfunctie

Poliklinische voorbereiding: medewerkers

Op de polikliniek spreekt u verschillende medewerkers:

  • De hoofd-halschirurg is eindverantwoordelijk voor uw medische behandeling en bespreekt het behandelplan met u. Vragen over de ingreep kunt u aan hem of haar stellen. De hoofd-halschirurg opereert u.
  • De anesthesioloog heeft de regie over de narcose en pijnbestrijding. U ontvangt van hem of haar de informatiefolder “Voorbereiding op de operatie en informatie over de anesthesie”. De anesthesioloog vraagt naar uw medicijngebruik en geeft u instructie welke medicijnen er wanneer gestopt moeten worden. Indien u na de ingreep ter observatie op de Intensive Care wordt opgenomen is de anesthesioloog gedurende uw verblijf op de Intensive Care de behandelend arts.
  • De hoofd-halsverpleegkundige (HHV) informeert u over de ingreep en de periode in het ziekenhuis. Tijdens het laatste bezoek aan de polikliniek heeft u een aantal formulieren meegekregen: de verpleegkundige anamnese en de lastmeter. Deze formulieren geven behalve gegevens als telefoonnummers van uw contactpersoon en uw sociale situatie ook inzicht in uw behoefte aan verpleegkundige zorg tijdens en na de ingreep. Daarom vragen wij u om de twee formulieren in te vullen en mee te nemen naar dit poliklinische gesprek. De HHV neemt met u de verpleegkundige anamnese en lastmeter door. De HHV kan in overleg met u andere disciplines (zoals diëtiste, maatschappelijk werkster, psychiatrisch verpleegkundige) inschakelen. De HHV vertelt u ook waar u meer informatie kunt vinden over uw ziekte.
  • De gelaatsprothetist informeert u over de mogelijkheden van een prothese voor uw oog. Hij kan u enkele voorbeelden laten zien. Als u een gelaatsprothese krijgt treft hij de eerste voorbereidingen voor de prothese die speciaal voor u gemaakt wordt.
  • Bureau opname informeert u door middel van een brief, mail of telefonisch contact over de opnamedag. Ook hoort u dan vanaf wanneer u nuchter moet zijn voor de operatie.

De Stoppen met Roken poli

Het merendeel van de tumoren in het hoofd-halsgebied is het gevolg van langdurige, frequente irritatie van de slijmvliezen door alcohol en tabaksrook. Door direct en definitief te stoppen met alcohol en tabak vergroten veel patiënten met hoofd-halstumoren zelf hun kans op genezing.

Stoppen met roken en alcohol verkleint namelijk de kans op terugkeer van de tumor op dezelfde plek of het ontstaan van een nieuwe tumor elders in mond of keel. Ook neemt de kans op complicaties af.

Het voorkomen van het opnieuw ontstaan van tumoren is belangrijk, omdat deze vaak moeilijker zijn te behandelen.

Het verslavende effect van alcohol en nicotine kan het stoppen moeilijk maken. U kunt het beste stoppen met roken vóór de operatie. De verpleegkundigen van de Stoppen met Roken poli van het Antoni van Leeuwenhoek kunnen u daarbij ondersteunen. Zij bieden u een gespecialiseerd begeleidingstraject, waarbij de nadruk op gewoonteverandering ligt. Vraag uw arts of verpleegkundige om meer informatie. Wilt u hulp hebben in verband met uw alcoholgebruik, dan kunt u het beste naar uw huisarts.

Dag van opname

Afhankelijk van de grootte van de ingreep wordt u een dag voor de ingreep of op de dag van de ingreep opgenomen in het ziekenhuis. Op de dag van opname meldt u zich bij de receptie in de centrale hal. De receptionist(e) verwijst u naar de verpleegetage. Daar wordt u door een verpleegkundige naar uw kamer gebracht.

Op de dag van opname spreekt u verschillende medewerkers:

  • De verpleegkundige op de polikliniek heeft met u een opnamegesprek gevoerd. Als u vragen heeft naar aanleiding van dit gesprek kunt u deze met de verpleegkundige op de afdeling bespreken. Gedurende uw verblijf op de afdeling coördineert de verpleegkundige de zorg en biedt u ondersteuning en begeleiding.
  • De afdelingsarts stelt zich op de hoogte van uw huidige gezondheidstoestand en verricht lichamelijk onderzoek. Tijdens uw opname stelt hij of zij zich dagelijks op de hoogte van uw situatie tijdens de artsenronde en informeert u over het medische beleid. De afdelingsarts staat in nauw contact met uw chirurg.
  • De hoofd-halschirurg spreekt kort met u om na te gaan of u nog vragen heeft over de ingreep. Dit kan ook nog plaatsvinden op het operatiecomplex vlak voordat u naar de operatiekamer gaat.
  • Ter voorbereiding op de operatie vindt een aantal handelingen plaats:
  • U krijgt de gelegenheid om samen met uw naasten de intensive care (IC) te bezoeken om een indruk te krijgen van deze afdeling, waar u direct na de operatie verblijft.
  • Indien u vooraf aan de operatie wordt opgenomen krijgt u voor de nacht de medicatie, die door de anesthesioloog is afgesproken.

Dag van ingreep

Voor de operatie moet u nuchter zijn. In de voorlichtingsbrief van de anesthesioloog staat beschreven vanaf welk tijdstip u niet meer mag eten en drinken.

Op de dag van de ingreep kunt u zich wassen of douchen zoals u gewend bent. U wordt verzocht uw huid niet in te smeren met crème of lotion. U krijgt een operatiehemd van de verpleegkundige. Protheses (zoals een gebit), hulpmiddelen (zoals een bril of lenzen), sieraden, make-up en nagellak dient u te verwijderen voordat u naar de operatiekamer gaat. Als u een hoorapparaat heeft, kunt u deze inhouden. Als u dit met de anesthesioloog heeft afgesproken krijgt u voor de ingreep een tablet, zodat u zich beter kunt ontspannen.

De verpleegkundige brengt u naar de voorbereidingsruimte van de operatiekamer. Daar wordt u ontvangen door een medewerker van de operatiekamer.

Voor de ingreep krijgt u een infuus waardoor de medicijnen voor de narcose worden toegediend. Er wordt ook een blaaskatheter ingebracht voor de afvloed van urine.

3. De periode na de ingreep

Na de ingreep blijft u een dag op de intensive care, waar de anesthesioloog verantwoordelijk is voor de medische behandeling en controles. Hij of zij beoordeelt samen met de hoofd-halschirurg wanneer u terug gaat naar de verpleegetage.

Bezoek ontvangen op de intensive care is mogelijk. Uw naasten kunnen met de IC-verpleegkundige afspraken maken over het bezoek.

Als u weer terug mag naar de verpleegetage, komen de verpleegkundigen van de afdeling u ophalen. De IC-verpleegkundige is verantwoordelijk voor de overdracht en neemt alle informatie met de afdelingsverpleegkundigen door.

De eerste dagen na de operatie op de intensive care en de afdeling is een zware periode.

Op de verpleegetage komt de afdelingsarts elke dag bij u langs om samen met u en de verpleegkundige de voortgang van uw herstel te bespreken. Tijdens deze visite worden nieuwe afspraken gemaakt. De afdelingsarts spreekt met de hoofd-halschirurg over het verloop van uw herstel. De hoofd-halschirurg komt twee maal per week bij u langs.

Fraxiparine

Na de ingreep krijgt u dagelijks een injectie met het middel Fraxiparine (in uw buik, bovenbeen of bovenarm), totdat u met ontslag gaat. Fraxiparine voorkomt een stolsel in een bloedvat (trombose).

Katheters, lijnen en drains

Na de ingreep heeft u een aantal ‘slangen’:

  • Een infuus voor vocht- en medicatietoediening. Dit infuus kan zich in een ader in de arm of in de voet bevinden. Zodra u voldoende vocht en voeding via de sonde krijgt en geen medicatie via het infuus nodig heeft, wordt het infuus verwijderd.
  • Eventueel een voedingssonde via de neus naar de maag voor het toedienen van sondevoeding. Zodra u in staat bent voldoende te eten en te drinken, wordt de voedingssonde verwijderd.
  • Een of twee wonddrains in het operatiegebied. Een wonddrain zorgt voor de afvloed van wondvocht. De drains kunnen verwijderd worden als de productie van wondvocht minder dan 15 milliliter per 24 uur is. Dit is gemiddeld na drie tot zes dagen.
  • Eventueel heeft u een blaaskatheter voor de afvloed van urine. De blaaskatheter wordt na een of twee dagen verwijderd.

Pijn

Goede pijnbestrijding is belangrijk om goed door te kunnen ademen, te hoesten en mobiliseren. Als u pijn heeft, is het belangrijk dat u dit aangeeft. De verpleegkundige vraagt u tweemaal per dag om uw pijn te omschrijven met een cijfer van 0 tot 10.

U krijgt via het infuus en via de voedingssonde pijnmedicatie op vaste tijden toegediend. Door pijnmedicatie op vaste tijden te gebruiken, wordt er in uw bloed een spiegel van de werkzame stof opgebouwd. Hierdoor is de pijnmedicatie effectiever.

Misselijkheid

Misselijkheid na de ingreep komt regelmatig voor. Misselijkheid kan worden veroorzaakt door de narcose en door de ingreep zelf. Als u misselijk bent, is het belangrijk dat u dit aangeeft. De verpleegkundige kan u medicijnen geven om misselijkheid tegen te gaan.

Wonden

De verpleegkundige inspecteert dagelijks de wonden en verbindt deze zo nodig. De arts en verpleegkundige informeren u over de grootte van de wond en de verminking in uw gezicht. De verpleegkundige laat u de wonden van uw gezicht in de spiegel zien. Zie verder: Uw uiterlijk en functiebeperking.

Er zijn twee mogelijkheden:

Het oogdefect met huidtransplantaat

De wond is verbonden met een ‘sponspakket’, afdekkend verband en een zwachtel om uw hoofd. De zwachtel kan na twee dagen verwijderd worden. Het afdekkend verband wordt door de verpleegkundige regelmatig verwisseld. Het ‘sponspakket’ is verband dat het huidtransplantaat beschermd, dit verband wordt vijf tot zeven dagen na de operatie verwijderd. Het huidtransplantaat is dan voldoende gehecht. De oplosbare hechtingen hoeven niet verwijderd te worden, deze lossen na twee of drie weken op. De wond heeft speciale verzorging nodig, tweemaal daags. U kunt het oogdefect ook schoonspoelen met een zachte waterstraal, b.v. onder de douche. De huid voor de transplantatie wordt van uw bovenbeen afgenomen. De wond op uw been is de donorsite, een soort schaafwond. De donorsite kan de eerste dagen pijnlijk zijn. Genezing duurt tien tot veertien dagen, er wordt speciaal verband gebruikt dat enkele dagen kan blijven zitten. Het verband mag niet nat worden, u kunt er dus niet mee onder de douche. De verpleegkundige vertelt u hier meer over. Het oogdefect met reconstructie d.m.v. een spier- en huidlap en bloedvat van de buik.

Op de plaats van uw oog en oogkas ligt nu de spier en huidlap. De wond is verbonden met afdekkend verband en een zwachtel om uw hoofd. De zwachtel en het verband om uw hoofd kunnen na twee dagen verwijderd worden. De wond wordt dagelijks geïnspecteerd door de verpleegkundige en arts. De wond hoeft niet de hele dag door afgedekt te worden met verband. Maar voor het gezicht mag er losjes verband over aangebracht worden.

Door goede bloedvoorziening in de spier en huid kan deze goed genezen en hechten. Het is belangrijk om de bloedvoorziening niet te belemmeren of af te knellen. De hechtingen van de wond in uw gezicht worden acht dagen na de ingreep verwijderd. Als u in het verleden in het wondgebied bent bestraald worden de hechtingen na tien dagen verwijderd. Het gevoel van de huid rondom de littekens is na de ingreep vaak veranderd. Ook uw oor en wang kunnen verdoofd aanvoelen. Dit gevoel kan nog lang aanhouden, maar herstelt zich over het algemeen wel.

Gelaatsprothese

Als u een oogprothese of gelaatsprothese nodig heeft, wordt u verwezen naar de afdeling gelaatsprothetiek. De prothese kan gemaakt worden als de wond goed genezen is en er geen zwelling meer is. Dit is ongeveer drie maanden na de ingreep.

Een oog- of gelaatsprothese wordt van siliconen en kunststoffen gemaakt, individueel op maat, vorm en kleur.

oogprothese2

Voorbeeld van een oogprothese

Mondverzorging

Als u een wond in uw mond heeft, doordat ook een deel van de bovenkaak is verwijderd, dan is mondverzorging belangrijk. De hoofd-halschirurg controleert de wond en het transplantaat in uw mond regelmatig.

Het is belangrijk om uw mond en tong goed te verzorgen en schoon te houden. De wond kan dan beter genezen en de kans op infecties vermindert. U mag de eerste dagen niet eten en drinken (zie verder: Voeding).

Tanden poetsen is de eerste dagen niet goed mogelijk. Als u een gebitsprothese heeft kunt u die niet dragen. De verpleegkundige helpt u met het verzorgen van uw mond. De eerste dagen wordt uw mond gespoeld met een fysiologische zoutoplossing. De verpleegkundige informeert u hoe u uw mond zelf kunt verzorgen en welke materialen u hiervoor kunt gebruiken. De mondhygiënist wordt ook gevraagd u te helpen en informeren.

Mobiliteit en fysieke activiteit

Vanaf de eerste dag na de ingreep gaat u uit bed. Mobiliseren is zeer belangrijk voor uw herstel en het voorkomen van complicaties zoals trombose, longontsteking en een vertraagde stoelgang.

Door de aanwezigheid van de wonden en een aantal ‘slangen’ wordt u weliswaar beperkt in uw bewegingsvrijheid. U komt steeds vaker en langer uit bed. Onder begeleiding van de verpleegkundige wordt u in de dagen die volgen toenemend zelfstandig.

U zult merken dat de activiteiten die voor de ingreep vanzelfsprekend waren, nu veel inspanning kosten. U zult uw energie moeten verdelen over de dag. Het streven is om u zo snel mogelijk drie maal per dag op de gang te laten wandelen. Uw familie mag u daarbij ook helpen.

Houding in bed

Na een operatie met reconstructie huid- en spierlap is het belangrijk om de eerste week niet op de geopereerde zijde van uw gezicht/hoofd te gaan liggen. Hierdoor zou de bloedvoorziening naar de lap belemmerd kunnen raken.

Stoelgang

Na de ingreep functioneren de maag en darmen tijdelijk minder goed. Hierdoor kunt u misselijk zijn en kan de stoelgang vertraagd zijn. Het duurt een paar dagen voor de maag en de darmen weer op gang komen en u weer ontlasting heeft. Dit gaat vaak gepaard met misselijkheid en krampen. Soms is de ontlasting in het begin erg hard of juist heel dun; dit is normaal en heeft meestal niet met uw voeding te maken. Als het nodig is schrijft de afdelingsarts medicijnen voor om de stoelgang op gang te brengen.

Voeding

Na de operatie waarbij uw oog verwijderd is, zult u weer snel mogen eten en drinken.

Als er een reconstructie d.m.v. een spierlap is gedaan of een deel van de bovenkaak is verwijderd, zal eten en drinken moeilijk zijn. Dit komt door de wonden in uw gezicht en mond, en de zwelling die ontstaat.

U krijgt dan tijdelijk sondevoeding via een neus-maagssonde. De neus-maagsonde wordt tijdens de operatie ingebracht. U krijgt via de sonde de sondevoeding, water en medicijnen toegediend.

Sondevoeding is vloeibare volwaardige voeding. De diëtiste geeft een sondevoedingsadvies door aan de verpleegkundige.

Als de wonden voldoende genezen zijn en de zwelling afneemt, mag u zelf weer drinken en eten. Als u voldoende kunt eten en drinken, wordt de sondevoeding gestopt en de sonde wordt verwijderd. De diëtiste adviseert u over de voeding. Soms is het nodig om tijdelijk vloeibare of gemalen voeding te gebruiken.

Uiterlijk en functiebeperking

Door het verwijderen van uw oog/oogkas ontstaat een groot verminkend defect in uw gezicht. Rondom uw oog/oogkas, uw wang en slaap en neus zijn gezwollen. Na enkele weken merkt u dat de zwelling afneemt. Als u rechtop zit en halfzittend slaapt, kunt u ernstige toename van zwelling in uw gezicht beperken. Ook door regelmatig uit bed te komen kunt u dit bereiken.

Als u zich voor de eerste keer weer in de spiegel ziet kunt u schrikken van uw veranderde uiterlijk. Het is voor het verwerken en accepteren van deze veranderingen belangrijk hierover te praten met uw familie en/of verpleegkundige. Een maatschappelijk werker kan u hierbij ook ondersteunen.

Wisselend verloop

Tijdens uw opname zult u merken dat u zich de ene dag beter voelt dan de andere dag. Dit kan zowel op lichamelijk als op emotioneel gebied zijn. De verpleegkundige kan u hierin ondersteuning bieden.

Daarnaast kunt u gebruik maken van de medewerkers van het Centrum voor Kwaliteit van Leven (CKvL). Bij de CKvL werken diverse deskundigen die u en uw naasten psychosociale ondersteuning kunnen bieden. De verpleegkundige kan u in contact brengen met de CKvL.

4. Het ontslag

Het moment van ontslag is afhankelijk van uw herstel en zelfstandigheid. Over het algemeen kunt u na ongeveer tien dagen het ziekenhuis verlaten.

Wanneer u thuishulp nodig heeft van de thuiszorg, bespreek het tijdig met uw verpleegkundige en behandelend arts. De transferverpleegkundige wordt ingeschakeld, zij stelt de indicatie vast voor de zorg na het ziekenhuis en gaat dit voor u aanvragen.

De verpleegkundige voert een ontslaggesprek met u en, als u dat wilt, uw naaste. Tijdens het gesprek wordt teruggekeken op uw verblijf in het ziekenhuis en wordt u voorbereid op de periode die volgt na ontslag. Bij ontslag krijgt u een afspraak mee voor poliklinische controle bij hoofd-halschirurg en de hoofd-halsverpleegkundige. Eventueel krijgt u ook een afspraak met de mondhygiëniste, diëtiste en gelaatsprothetist.

Uw huisarts wordt op de hoogte gesteld over de ingreep, het verloop van herstel tijdens de ziekenhuisopname en de eventuele vervolgbehandeling

De periode na het ontslag

Na het ontslag uit het ziekenhuis kunt u uw dagelijkse activiteiten weer geleidelijk uitbreiden tot uw normale niveau. Zorg daarbij voor een dagritme waarbij na activiteiten rustmomenten worden ingelast. Het is moeilijk aan te geven wanneer u weer helemaal van de ingreep bent hersteld. Dit hangt af van de grootte en de complexiteit van de ingreep, uw conditie en eventuele voor- of nabehandeling.

Wij willen u graag een aantal adviezen meegeven.

Pijn

De pijnstillers die u tijdens de opname in het ziekenhuis gebruikte, kunt u thuis afbouwen op geleide van uw pijnklachten. Het is verstandig om de pijnstillers zo in te nemen, dat u nagenoeg pijnvrij bewegen. U kunt het volgende schema volgen:

  • Verminder en stop eerst de Ibruprofen. U kunt stoppen met het gebruik van Pantozol (maagbeschermer) zodra u bent gestopt met Ibruprofen.
  • Blijf Paracetamol drie tot viermaal daags 1000 mg als basis gebruiken. Paracetamol kunt u afbouwen door de middaginname over te slaan. Daarna kunt u tweemaal daags 500 mg innemen en vervolgens stoppen.

Wonden

U zult nog zorgvuldig moeten omgaan met de wonden. De verpleegkundige informeert u over de speciale verzorging voor elke wond. Indien nodig wordt ondersteuning van de wijkverpleegkundige bij de wondzorg geregeld.

De open wond na verwijderen van uw oog heeft speciale verzorging nodig. U kunt de holte van de oogkas en slijmvliezen met een zachte waterstraal onder de douche spoelen, tweemaal daags. Hierdoor blijven deze holte en de slijmvliezen schoon en vochtig en korstjes worden verwijderd. Bescherm de slijmvliezen tegen uitdroging door het gebruik van vaselinegaas. Dek het geheel af met een passend gaasje. De verpleegkundige informeert u over de specifieke zorg voor de wonden en de verbandmaterialen.

Als de wond en omliggende huid goed genezen is, kan de gelaatsprothese gemaakt worden. Als de prothese klaar is kan u die ook gaan dragen. De gelaatsprothetist vertelt u hoe u de prothese gebruikt, schoonmaakt en aanbrengt.

Het verband (Mepilex) op de donorsite bovenbeen kan maximaal vijf dagen blijven zitten. Indien het verzadigd is met wondvocht moet het verband vervangen worden. Het verband mag niet nat worden. Ongeveer acht dagen na de operatie kunt u de wond beoordelen. Is de huid nog niet dicht en droog, dan kunt u een Mepitel-verband gaan gebruiken, afgedekt met een gaasje. Verschoon elke dag het gaasje. Mepitel-verband mag drie dagen op de wond blijven zitten. U mag er mee onder de douche. Indien de Mepitel eraf valt moet u een nieuwe aanbrengen. ls de donorsite dicht en droog is hoeft er geen verband meer op. Houdt u de huid dan soepel en zacht, verzorg de huid twee maal daags met bodylotion of huidcrème.

Voor alle verbandmaterialen krijgt u een recept mee.

Soms gaat een wond ontsteken. U moet daarom de wond dagelijks bekijken. Neem contact op met het ziekenhuis als één van onderstaande verschijnselen optreedt:

  • De huid rond de wond wordt vurig rood, warm of gezwollen.
  • U heeft toenemende pijn aan de wond.
  • Er komt pus uit de wond.
  • U heeft temperatuurverhoging (boven 38,5 graden Celsius).

Via het algemene telefoonnummer van het Antoni van Leeuwenhoek 020 512 9111, kunt u contact opnemen met de HHV-polikliniek.

Mondverzorging

Als u in uw mond een wond heeft, is het belangrijk om uw mond goed te verzorgen en schoon te houden. Spoel uw mond na iedere maaltijd en zonodig tussendoor. U kunt hiervoor (kraan)water of een fysiologische zoutoplossing gebruiken. U kunt zelf een fysiologische zoutoplossing maken door één theelepel keukenzout in één liter gekookt water op te lossen en dit vervolgens te laten afkoelen. Poets ook tweemaal daags uw gebit. Eventueel kunt u ook een monddouche/mondspoelapparaatje kopen.

De mondhygiëniste kan u informatie geven over de mondverzorging en de materialen.

Stoelgang

In de periode na de ingreep kan de stoelgang anders zijn dan u gewend was voor de ingreep. Het kan enige tijd duren totdat dit weer normaal is.

Voeding

Voor uw herstel en wondgenezing is het belangrijk dat u volwaardige voeding gebruikt. Het kan zijn dat u nog niet alles kunt eten, en aangewezen bent op vloeibare of gepureerde voeding. De diëtiste informeert u hierover. Zij kan u adviseren om caloriedranken te gebruiken, zij stuurt dan een aanvraag voor de vergoeding naar uw verzekering. Het is tevens belangrijk dat u voldoende drinkt: in ieder geval 1½ tot 2 liter per dag. Als u vragen heeft over voeding of u heeft last van ongewenst gewichtsverlies, dan kunt u contact opnemen met de afdeling Diëtetiek.

Uiterlijk en functiebeperking

Het kan moeilijk zijn om met de beperkingen of veranderd uiterlijk om te gaan. Ook is het confronterend andere mensen te ontmoeten. Hoe moeilijk het waarschijnlijk ook is, het is niet goed contacten met anderen te vermijden. U komt dan steeds verder van de mensen om u heen af te staan, waardoor u zich erg alleen kunt gaan voelen. Blijf praten over de beperkingen en uw gevoelens, probeer bezoek te ontvangen en naar buiten te gaan. U kunt hulp krijgen van het Centrum voor Kwaliteit van Leven (CKvL).

Vermoeidheid

U kunt lange tijd last houden van vermoeidheid. Een verklaring van de vermoeidheid is er niet altijd. Het is een duidelijk signaal van het lichaam dat er een grote rust/slaapbehoefte is. Het is zinvol uw energie te verdelen over de activiteiten die voor u van belang zijn en regelmatig rust in te bouwen.

Mobiliteit en activiteit

Regelmatige lichaamsbeweging is belangrijk voor de opbouw van uw conditie. U zult de eerste tijd niet intensief kunnen sporten of zwaar huishoudelijk werk doen.

Er bestaan verschillende mogelijkheden met betrekking tot revalidatie. Voor meer informatie over nazorg en revalidatie kunt u terecht bij het voorlichtingscentrum.

Werkhervatting

Wanneer u weer kunt werken is afhankelijk van de aard van uw werkzaamheden en van uw individuele situatie. Het is zinvol met uw behandelend arts en met uw bedrijfsarts te overleggen wanneer u uw werk kunt hervatten. Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u terecht bij het voorlichtingscentrum in de centrale hal van het ziekenhuis.

Seksualiteit en intimiteit

Er zijn geen medische bezwaren om uw seksuele gewoontes van voor de operatie weer op te pakken. De diagnose en behandeling van kanker kunnen veel veranderen in uw leven en dat van uw partner. Ook het lichaamsbeeld en de lichaamsbeleving kunnen door de behandeling veranderen. Als u vragen of twijfels heeft op het gebied van intimiteit en seksualiteit kunt u terecht bij de medewerkers van de polikliniek Intimiteit, Seksualiteit en Kanker. Zij hebben ervaring in het bespreken van problemen op dit gebied. Voor het maken van een afspraak kunt u contact opnemen met het secretariaat van het Centrum voor Kwaliteit van Leven.

Concentratie

Door de narcose, medicijngebruik en de emoties rondom de ingreep kunnen uw concentratie, geheugen en beoordelingsvermogen tijdelijk verminderd zijn. Houdt u hiermee rekening als u deelneemt aan het verkeer.

Verwerking

Bij het Centrum voor Kwaliteit van Leven werken hulpverleners zoals maatschappelijk werkers, geestelijk verzorgers, een psychiatrisch verpleegkundige en creatief therapeuten. Zij hebben veel ervaring met, en weten veel over, het omgaan met kanker. Zij helpen bij het zoeken naar antwoorden op uw vragen. De hulpverleners bieden inzicht en handvatten voor het omgaan met de ziekte, de behandeling en de beperkingen die dat met zich mee kan brengen. Ook tijdens de herstelperiode na een behandeling kunnen zij ondersteuning bieden. Daarnaast kunnen zij bemiddelen en adviseren bij verwijzing naar andere instanties buiten het ziekenhuis.

Continuïteitsbezoek

De mogelijkheid bestaat om een continuïteitsbezoek aan te vragen bij de thuiszorgorganisatie in uw regio of via Care for Cancer.

Een wijkverpleegkundige gespecialiseerd in de zorg voor kankerpatiënten, komt op afspraak bij u thuis. Zij neemt uw vragen met u door, geeft praktische adviezen en biedt begeleiding.

Een continuïteitsbezoek kunt u aanvragen via:

  • www.ikn.nl à organisatie van de zorg à regionaal à continuïteitsbezoek
  • www.careforcancer.nl

Contact met het ziekenhuis

Neem contact op met het ziekenhuis als u onderstaande lichamelijke problemen ervaart:

  • problemen met de wonden
  • tekenen van wondinfectie: roodheid, zwelling, pijn, pus
  • aanhoudende misselijkheid en braken, niet kunnen eten en meer dan twee kilo per week afvallen
  • temperatuursverhoging boven de 38,5 graden Celsius
  • aanhoudende pijn in het wondgebied die niet met pijnstillers onder controle te krijgen is
  • andere aan de behandeling gerelateerde problemen

Neemt u bij voorkeur via het algemene telefoonnummer van het Antoni van Leeuwenhoek 020 512 9111, contact op met de polikliniek. Voor algemene klachten verzoeken wij u eerst contact op te nemen met de huisarts.

5. Meer informatie

Voor aanvullende vragen kunt u ook terecht op het telefonisch verpleegkundig spreekuur. U vindt informatie over de bereikbaarheid van de verschillende spreekuren op: www.avl.nl/spreekuren.

Buiten kantooruren kunt u vragen naar het Weekend-, Avond-, of Nachthoofd. Indien u contact opneemt met het ziekenhuis houdt u dan uw patiëntengegevens bij de hand.

Patiëntenvereniging
Patiëntenvereniging Hoofd Hals
Postbus 13 3500 AA Utrecht

www.pvhh.nl

info@pvhh.nl

Praktische informatie

Contact

Ons algemene nummer is 020 512 9111. Onze telefonisten verbinden u graag door met de juiste afdeling.

Voor dringende zaken buiten kantooruren kunt u vragen naar het Weekend-, Avond- of Nachthoofd. Bel bij medische spoed altijd 112. Voor andere vragen verzoeken wij u te wachten tot de volgende werkdag.

Centrum Patiënteninformatie

Wilt u meer informatie omdat u of een naaste te maken heeft met kanker? Onze medewerkers denken graag met u mee. U kunt bellen of zonder afspraak binnenlopen.

Lees meer over het Centrum Patiënteninformatie

Centrum voor Kwaliteit van Leven

Heeft u behoefte aan professionele steun tijdens en na uw behandeling? Dan kunt u een afspraak maken bij ons centrum via uw behandelaar.

Lees meer over het Centrum voor Kwaliteit van Leven

Route & adres

U vindt meer praktische informatie over uw bezoek, de route & parkeren, onze bezoektijden en voorzieningen en diensten op onze website.

Praktische informatie

onload