Thorax- en longoperaties

Inleiding

In verband met een ingreep wordt u binnenkort opgenomen in het Antoni van Leeuwenhoek (AVL). In dit document vindt u informatie over:

  1. De ingreep
  2. De periode voor de ingreep
  3. De periode na de ingreep
  4. Het ontslag
  5. Belangrijke adressen en telefoonnummers

Het doel van dit document is om u en uw naasten te informeren over het te verwachten verloop van de opname, de ingreep en het ontslag. Wij verzoeken u deze schriftelijke informatie goed door te lezen voorafgaand aan uw afspraak met de verpleegkundige en uw eventuele vragen te noteren.

Dit document geeft u informatie over de gang van zaken rond operaties van longen en borstkas (thorax). De informatie over longen en thorax is samengevoegd omdat het tumorgebied dicht bij elkaar ligt en vaak in elkaar overloopt.

Het is goed u te realiseren dat uw persoonlijke situatie anders kan zijn dan beschreven. Het team van artsen, verpleegkundig specialisten, verpleegkundigen, fysiotherapeuten, diëtisten, logopedisten en andere disciplines dat u begeleidt, geeft u specifieke informatie over uw situatie. Wij raden u aan om altijd iemand mee te nemen naar de gesprekken met een zorgverlener. Deze schriftelijke informatie dient als aanvulling op de mondelinge informatie en als naslagwerk.

Extra informatie over de functie van de longen, diverse onderzoeken, de operatie en gerelateerde onderwerpen, kunt u in de bijlage lezen aan het einde van dit document.

1. De ingreep

Een thorax- of longoperatie kan nodig zijn om verschillende redenen:

  1. Meestal gaat het om longkanker of een uitzaaiing in de long van een al eerder behandelde kwaadaardige tumor elders in het lichaam.
  2. Een zeldzame asbest gerelateerde ziekte van de longvliezen (mesothelioom).
  3. Weke- delen tumoren kunnen voorkomen in longen, maar ook in de ribben en spieren van de borstwand (sarcomen).
  4. Zeldzame tumoren gelegen achter het borstbeen (mediastinum) zoals een thymoom.
  5. Ook kan het gaan om een hardnekkig ontstekingsproces, een goedaardige afwijking of een onbegrepen afwijking.

U wordt opgenomen voor een van onderstaande ingrepen van de thorax of long:

  • Mediastinoscopie; dit is een diagnostisch onderzoek.
  • Verwijdering van een afwijking achter het borstbeen gelegen.
  • Verwijdering van een thoraxwandtumor.
  • Pneumectomie; verwijdering van een gehele long.
  • Lobectomie; verwijdering van een of twee longkwabben.
  • Segmentresectie; verwijdering van enkele segmenten van een longkwab.
  • Wigresectie; verwijdering van een stukje van een longkwab.
  • Verwijdering van longvlies/-vliezen.

Deze ingrepen kunnen via verschillende technieken (benaderingen) plaatsvinden. Voor sommige ingrepen heeft een thoracotomie of sternotomie de voorkeur, waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van kijkoperaties (thoracoscopie, VATS of robot). De keuze voor een benadering wordt bepaald door een aantal karakteristieken van de afwijking waar het om gaat. Het plan wordt met u op de polikliniek besproken.

U wordt geopereerd door een team chirurgen, waarbij in wisselende samenstelling wordt geopereerd. Hierbij is soms ook een chirurg in (vervolg)opleiding aanwezig. Het kan voorkomen dat u wisselend chirurgen voor en na de operatie ontmoet.

Voor specifieke informatie over de diverse operatieve ingrepen, zie bijlage.

Mogelijke complicaties

Geen enkele operatie is zonder risico’s. Er bestaat altijd een risico op trombose (een stolsel in het bloedvat), longontsteking en wondinfectie. Daarnaast bestaan bij deze ingreep ook een aantal andere complicaties. Hieronder worden de meest voorkomende of meest ingrijpende complicaties genoemd:

Luchtweginfectie

De belangrijkste complicatie na thoraxchirurgie is het optreden van een luchtweginfectie (longontsteking). Dit risico kan verminderd worden door u na de operatie snel te mobiliseren (zitten, staan, lopen) en u goed te laten ademen en hoesten (ademhalingsoefeningen zijn te vinden op mijnAVLen tijdens opname op de iPad op uw kamer). Hierbij is pijnbestrijding ook van groot belang. Daar wordt veel aandacht aan besteed. Bovendien krijgt u tijdens en na de operatie preventief antibiotica toegediend.

Hart- en vaatcomplicaties

Omdat bij longoperaties zeer grote slagaders en aders betrokken zijn, bestaat een kans op een ernstige bloeding. Gelukkig komt dit zelden voor. Door het wegnemen van longweefsel kunnen drukveranderingen optreden in de longslagader en de rechter hartkamer. Daardoor kunnen zich tijdelijk hartritmestoornissen voordoen. Met medicijnen is dit te verhelpen.

Luchtlekkage en slijmproppen

Na een longoperatie is de eerste dagen bijna altijd sprake van enige lucht- en vochtlekkage uit de geopereerde long, die via de drain(s) kan worden afgevoerd. Een enkele keer houdt deze luchtlekkage meer dan een week aan. Enig geduld is hierbij belangrijk aangezien dit vrijwel altijd spontaan weer overgaat. Na de operatie kan een deel van de overgebleven luchtwegen door een slijmprop verstopt raken (atelectase). Daarnaast moet soms ook de slijmprop met een flexibele kijkslang (bronchoscoop) worden verwijderd.

Zeldzame complicaties

  • Bij aanhoudend luchtlekkage langer dan 1-2 weken kan dat een uiting zijn van een lekkage in een grote luchtweg, een bronchusfistel. Dit lek moet dan gedicht worden. Meestal gebeurt dit met opnieuw een operatie.
  • Andere complicaties zijn: longembolie en hartinfarct. Alle patiënten krijgen ter preventie een anti- trombosemiddel toegediend.
  • Heesheid kan ontstaan als gevolg van zenuwbeschadiging bij het uitnemen van tumoren van de linker long, of een deel ervan.
  • Chyluslekkage is lekkage uit een groot lymfevat en kan vaak verholpen worden met een tijdelijk dieet.

De kans dat één van alle bovengenoemde complicaties een dodelijke afloop tot gevolg heeft, varieert van bijna nul tot zes procent. Dat is mede afhankelijk van eventuele bijkomende ziekten, de lichamelijke conditie, de leeftijd, de longfunctie voor de operatie, de ernst van de aandoening en de ernst van de complicatie.

De risico’s op een complicatie zijn ook verhoogd bij andere aandoeningen zoals diabetes, hart- en vaatziekten. Ook het continueren van roken en alcoholgebruik, ondervoeding en bestraling in het verleden vergroten het risico op complicaties.

Door een groot aantal maatregelen rondom de ingreep doen wij er alles aan om de risico’s zo beperkt mogelijk te houden.

Het weefselonderzoek

Het weefsel dat tijdens de ingreep wordt weggenomen, gaat naar de patholoog voor weefselonderzoek. Dit duurt 7-10 werkdagen. De uitslag wordt zo mogelijk tijdens uw opname in het ziekenhuis, met u en uw naasten besproken. Meestal wordt u ontslagen vóórdat de uitslag van het onderzoek bekend is, dan krijgt u de uitslag telefonisch. Hiervoor wordt dan bij ontslag een afspraak gemaakt. Soms wordt er nog aanvullend moleculaire diagnostiek verricht. Dit zijn analyses waarbij op DNA niveau afwijkingen worden bekeken. Deze analyses duren langer.

Soms wordt tijdens de operatie weefsel onderzocht. Wanneer de precieze diagnose voor de operatie niet kon worden vastgesteld, kan tijdens de operatie een 'vriescoupe' onderzoek worden gedaan. Er wordt dan een stukje weefsel uitgenomen en ingestuurd voor snel onderzoek door de patholoog. Dit stukje weefsel wordt tijdens de operatie ingevroren en onder de microscoop onderzocht. De uitslag van dit onderzoek is vaak belangrijk voor de vraag hoeveel longweefsel moet worden weggenomen. Voor longkanker zal meestal een hele longkwab moeten worden verwijderd. Bij een uitzaaiing in de long kan vaak volstaan worden met een beperktere verwijdering van longweefsel.

Soms zijn er bij een operatie (extra) bevindingen, waardoor geheel van het operatieplan afgeweken moet worden. In minder dan 5% van de borstkas- en longoperaties is dit het geval. Verwijdering van de tumor blijkt dan bijvoorbeeld toch niet mogelijk door ingroei in andere organen of operatieve verwijdering is geen zinvolle behandeling. Ondanks alle preoperatieve scans en onderzoeken zijn bovenstaande problemen soms niet te vermijden. Na de operatie wordt er precies verteld wat er gedaan is. Vervolgens wordt dan een alternatief behandelplan gemaakt.

2. De periode voor de ingreep

Poliklinische voorbereiding: diagnostisch onderzoek

Ter voorbereiding op de ingreep is een aantal onderzoeken (zoals scans, longfunctie) noodzakelijk. De chirurg of longarts informeert u hierover.

Voor de ingreep die u ondergaat, kunnen de volgende diagnostische ingrepen worden uitgevoerd:

  • Een echo onderzoek via de slokdarm (EUS) of via de luchtpijp (EBUS). Hierbij kan zo nodig weefsel voor onderzoek worden weggenomen.
  • CT-geleide punctie: met hulp van de beelden tijdens een CT-scan kan weefsel verkregen worden voor onderzoek.
  • Mediastinoscopie: achter het borstbeen rond de luchtpijp worden de lymfeklieren bekeken en wordt weefsel voor onderzoek weggenomen (zie bijlage).
  • Thoracoscopie: dit is een ingreep, waarbij een kijkbuis tussen de ribben door in de borstholte wordt gebracht. Zo kunnen de longvliezen geïnspecteerd worden evenals de buitenzijde van de long en een aantal lymfeklieren. Zo nodig worden weefselmonsters voor onderzoek genomen (zie bijlage).

Poliklinische voorbereiding: medewerkers

Op de polikliniek spreekt u verschillende medewerkers:

  • De chirurg is eindverantwoordelijk voor uw chirurgisch medische behandeling. Vragen over de ingreep kunt u aan hem of haar stellen.
  • De longarts is betrokken bij de behandeling van vrijwel alle patiënten met longziekten. In de periode voor en na de operatie is de longarts betrokken bij uw medische begeleiding en regelt hij/zij de nacontrole. Ook is de longarts verantwoordelijk voor eventueel voor- of nabehandeling met chemotherapie.
  • De anesthesioloog heeft de regie over de narcose en pijnbestrijding. U ontvangt van hem of haar de informatiefolder “Voorbereiding op de operatie en informatie over de anesthesie”. De anesthesioloog vraagt naar uw medicijngebruik en geeft u instructie welke medicijnen er wanneer gestopt moeten worden. Indien u na de ingreep ter observatie op de Intensive Care wordt opgenomen is de anesthesioloog gedurende uw verblijf op de Intensive Care de behandelend arts.
  • Verpleegkundig specialist long-/thoraxchirurgie: is het eerste aanspreekpunt en vast contactpersoon gedurende de gehele periode.
  • De afspraak met de verpleegkundige op de polikliniek is ter voorbereiding op de opname. De verpleegkundige neemt met u de verpleegkundige anamnese en de lastmeter door. Ook heeft u gelegenheid om vragen te stellen en zo nodig wordt er aanvullende informatie gegeven. De verpleegkundige kan in overleg met u andere disciplines (zoals diëtiste, maatschappelijk werker) inschakelen en u vertellen waar u meer informatie kunt vinden over uw ziekte.
  • De fysiotherapeut geeft voor de operatie instructies over ophoesten en ademhalingsoefeningen. Dit is om problemen zoals longontsteking na de operatie te voorkomen. Daarnaast krijgt u adviezen ten aanzien van bewegen om u fysiek zo goed mogelijk voor te bereiden op de operatie. Indien nodig kan er een verwijzing geschreven worden voor een fysiotherapeut bij u in de buurt voor verdere ondersteuning bij de opbouw van u belastbaarheid voor en/of na de operatie. Verdere informatie ten aanzien van fysiotherapie rondom operatie is te vinden onderaan deze folder.
  • Het inschakelen van de diëtiste gebeurt als er vooraf al verminderde voedingsintake of gewichtsverlies was.

Stoppen met roken poli

Na een operatie is er altijd sprake van een wondgebied (inwendig en uitwendig). Uit onderzoek is gebleken dat de wondgenezing veel beter verloopt als u niet rookt. Daarnaast is de kans op het krijgen van een longontsteking groter als u rookt. Daarom is het erg belangrijk om te stoppen met roken voor de operatie om een zo goed mogelijk beloop van de behandeling tot stand te brengen.

Het verslavende effect van nicotine kan het stoppen moeilijk maken. U kunt het beste stoppen met roken vóór de operatie. De verpleegkundigen van de Stoppen met roken poli van het Antoni van Leeuwenhoek kunnen u daarbij ondersteunen. Zij bieden u een gespecialiseerd begeleidingstraject, waarbij de nadruk op gewoonteverandering ligt. Vraag uw arts of verpleegkundige om meer informatie.

Voeding

Kanker kan veel van uw lichaam vergen. Wanneer u in een goede conditie verkeert kunt u de behandeling doorgaans goed aan en herstelt u sneller. Voeding en beweging spelen een belangrijke rol bij het in stand houden of opbouwen van uw conditie. Uw behoefte aan energie en eiwitten is verhoogd, terwijl de inname van voeding door klachten bemoeilijkt kan zijn. Bijvoorbeeld door locatie van de tumor en/of ontregeling van de stofwisseling. Om obstipatie te voorkomen, is het in de tijd voor de operatie belangrijk om goed te drinken en vezelrijke voeding te eten.

Heeft u vragen over voeding of ervaart u ongewenste gewichtsveranderingen die samenhangen met uw ziekte dan kunt u dit overleggen met het behandelend team. Zie voor meer informatie over voeding de folder ‘Voeding bij kanker’ van KWF Kankerbestrijding.

De afdeling opname brengt u op de hoogte van de datum en geplande tijd van de operatie. Op de dag van de operatie moet u nuchter zijn. Vanaf 6 uur voor de operatie mag u niet eten en drinken. De anesthesie geeft u de precieze voorschriften. Indien u in de week voorafgaand aan de operatie koorts heeft boven 38,5 graden Celsius, moet u contact opnemen met het ziekenhuis.

Dag van opname

Op de dag van opname meldt u zich bij de receptie in de centrale hal.

De receptionist(e) verwijst u naar de verpleegetage. Daar wordt u door een verpleegkundige naar uw kamer gebracht.

Tijdens uw verblijf op de afdeling coördineert de verpleegkundige de zorg en biedt ondersteuning en begeleiding. De verpleegkundige vertelt u welke slaap- en premedicatie de anesthesioloog heeft voorgeschreven en vanaf welk tijdstip u niet meer mag eten en drinken. Ook hoort u van de verpleegkundige op welk tijdstip de ingreep is gepland; dit is een schatting.

Op de dag van de ingreep kunt u zich wassen of douchen zoals u gewend bent. U wordt verzocht uw huid niet in te smeren met crème of lotion. U krijgt een operatiehemd van de verpleegkundige. Protheses (zoals een gebit), hulpmiddelen (zoals een bril of lenzen), sieraden, make-up en nagellak dient u te verwijderen voordat u naar de operatiekamer gaat. Als u een hoorapparaat heeft, kunt u deze inhouden.

Indien u dit met de anesthe­sioloog heeft afgesproken, krijgt u voor de ingreep een tablet. Zo kunt u zich beter ontspannen. De verpleegkundige brengt u naar de voorbereidingsruimte van de operatiekamer. Daar wordt u ontvangen door een medewerker van de operatiekamer. Op het operatiecomplex ziet u ook de chirurg en de anesthesioloog.

Voor de ingreep krijgt u een infuus waardoor de medicijnen voor de narcose worden toegediend. Ook krijgt u meestal een pijnpomp. Hiermee kunt u zelf na de ingreep pijnstilling toedienen. Soms krijgt u een zeer dun ‘slangetje’ (epiduraalkatheter) in de rug aangebracht. Via dit ‘slangetje’ krijgt u tijdens en na de ingreep pijnbestrijding. Afhankelijk van de grootte van de ingreep wordt er een blaaskatheter ingebracht voor de afvloed van urine.

3. De periode na de ingreep

Na de ingreep gaat u meestal terug naar de verpleegafdeling. Soms blijft u een nacht op de Intensive Care, waar de anesthesioloog verantwoordelijk is voor de medische behandeling en controles. Hij of zij beoordeelt samen met de chirurg wanneer u terug gaat naar de verpleegafdeling.

Na een beperktere ingreep blijft u enkele uren op de uitslaapkamer voordat u naar de afdeling gaat.

Op de verpleegafdeling komt de afdelingsarts elke dag bij u langs om samen met u en met de verpleegkundige de voortgang van uw herstel te bespreken. Tijdens deze visite worden nieuwe afspraken gemaakt. De afdelingsarts spreekt met de behandelend specialist over het verloop van uw herstel. De chirurg komt regelmatig bij u langs.

Fraxiparine

Na de ingreep krijgt u dagelijks een injectie met het middel Fraxiparine (in uw buik, bovenbeen of bovenarm), totdat u weer voldoende actief bent. Fraxiparine voorkomt een stolsel in een bloedvat (trombose).

Katheters, lijnen en drains

Na de ingreep heeft u mogelijk een aantal ‘slangen’:

  • Een infuus voor vocht- en medicatietoediening. Dit infuus bevindt zich in een ader in de arm. Zodra u in staat bent voldoende te drinken en geen medicatie via het infuus nodig heeft, wordt het infuus verwijderd.
  • Een slangetje in de neus voor de toediening van extra zuurstof. Zodra uw herstel dit toestaat, wordt het zuurstofslangetje verwijderd.
  • Een pijnpomp voor het toedienen van pijnstilling. U krijgt een knop waarmee u zelf pijnstilling kunt toedienen.
  • Soms krijgt u een epiduraalkatheter. Dit is een dun slangetje in de rug waardoor u pijnmedicatie krijgt toegediend. De medicatie die u via de epiduraalkatheter krijgt, wordt afgebouwd en uiteindelijk gestopt. Vaak na 3 dagen en soms na 5 dagen dit is afhankelijk van de ingreep en uw herstel. Zodra deze medicatie is gestopt, wordt het slangetje in de rug verwijderd.
  • Een blaaskatheter voor de afvloed van urine. De verpleegkundige meet de urineproductie zodat uw vochtbalans gecontroleerd kan worden. De blaaskatheter wordt doorgaans na 24 uur verwijderd.
  • Eén of twee thoraxdrain(s) worden aan het einde van uw operatie ingebracht voor het afzuigen van overtollig vocht en lucht uit de borstkas. De thoraxdrain wordt verbonden met een speciale opvangpot aan de zijkant van uw bed. De verpleegkundige meet elke dag de hoeveelheid vocht die afloopt. Als de long weer goed ontplooid is, de vochtproductie acceptabel is en er geen luchtlekkage is, kan de thoraxdrain verwijderd worden. Dit is meestal na enkele dagen. Er worden af en toe röntgenfoto’s van de longen gemaakt. Verwijderen van de drains is doorgaans pijnloos.

Pijn

Goede pijnbestrijding is belangrijk om goed door te kunnen ademen, te hoesten, te bewegen en in- en uit bed te komen. Als u pijn heeft, is het belangrijk dat u dit aangeeft. Door pijnmedicatie op vaste tijden te gebruiken, wordt er in uw bloed een spiegel van de werkzame stof opgebouwd. Hierdoor is de pijnmedicatie effectiever. De verpleegkundige vraagt u drie maal per dag om uw pijn te omschrijven met een cijfer van 0 tot 10.

Naast pijnbestrijding via de pijnpomp of epiduraalkatheter krijgt u tabletten tegen de pijn.

Misselijkheid

Na de operatie mag u gewoon drinken en eten. De eerste dagen heeft u soms wel een vochtbeperking. Indien dit het geval is, krijgt u instructie van de verpleegkundige. Het is ook verstandig eerst nog voorzichtig te zijn met eten. Misselijkheid na de ingreep komt regelmatig voor. Misselijkheid kan worden veroorzaakt door de narcose en door de ingreep zelf. Als u misselijk bent, is het belangrijk dat u dit aangeeft. De verpleegkundige kan u medicijnen geven om misselijkheid tegen te gaan.

Wond

De verpleegkundige inspecteert dagelijks de wond en de insteekopeningen van de drain(s) en verbindt deze zo nodig. De hechtingen van de wond worden indien nodig rond de tiende dag na de ingreep verwijderd. Meestal is de wond onderhuids gehecht, dan hoeven deze hechtingen niet te worden verwijderd.

Het gevoel van de huid rondom het litteken is na de ingreep vaak veranderd. Dit gevoel kan nog lang aanhouden, maar herstelt zich over het algemeen wel. Soms kan het gevoel ook verminderd blijven.

Mobiele en fysieke activiteit

Vanaf de dag na de ingreep gaat u uit bed. Dit is zeer belangrijk voor uw herstel en het voorkomen van complicaties zoals trombose, longontsteking en een vertraagde stoelgang.

U zult merken dat de activiteiten die voor de ingreep vanzelfsprekend waren, nu veel inspanning kosten. U merkt dat u uw energie moet verdelen over de dag. Door de wond en de aanwezigheid van een aantal ‘slangen’ wordt u weliswaar beperkt in uw bewegingsvrijheid, maar al vanaf de eerste dag na de operatie mag u proberen te lopen. Onder begeleiding van de verpleegkundige wordt u weer zelfstandiger.

U zult steeds vaker en langer uit bed komen. Het streven is om u zo snel mogelijk driemaal per dag op de gang te laten wandelen. Uw familie mag u daarbij ook helpen.

Na grotere operaties houden we het volgende aan:

De dag van de operatie

Bij terugkomst op de afdeling komt u ’s avonds al uit bed. Met hulp van de verpleegkundige kunt u in de stoel zitten en naar het toilet lopen.

De eerste dag na de operatie

De eerste dag na de operatie verzorgt u zich met hulp van de verpleegkundige in de badkamer en komt u zoveel mogelijk uit bed. Met de maaltijden zit u aan tafel en u loopt, eventueel onder begeleiding, tenminste twee keer een rondje over de gang.

De tweede dag na de operatie

Vanaf de tweede dag bent u zoveel mogelijk zelfstandig. U verzorgt zichzelf in de badkamer, zit met de maaltijden aan tafel en loopt zelfstandig een rondje over de gang. U kunt eventueel traplopen oefenen onder begeleiding van een verpleegkundige.

Dit plan is een gemiddeld plan en kan leiden tot ontslag uit het ziekenhuis binnen twee tot vijf dagen; afhankelijk van uw situatie kan het plan sneller of langzamer verlopen. De verpleegkundige bespreekt dagelijks met u het plan op grond van uw situatie.

Functie longen

Het herstel van de longfunctie heeft grote prioriteit. De verpleegkundige (en zo nodig de fysiotherapeut) geven u adviezen en oefeningen om goed te ademen en het ophoesten van slijm uit de luchtwegen te vergemakkelijken (zie Bijlagen).

Probeert u overdag, als u wakker bent, tenminste elk uur vijf maal achter elkaar diep te zuchten en daarna te huffen en te hoesten. Als dat prettig voelt, mag u druk tegen de ribbenkast geven met een kussentje. De fysiotherapeut en/of verpleegkundige geven u hierover instructies.

Lichamelijke activiteit, zoals uit bed komen en lopen, kost heel wat moeite na een operatie, maar het is de beste oefening voor herstel van de longfunctie en zuurstofvoorziening. Een optimale longfunctie wordt onder andere bereikt door:

  • uit bed gaan, bewegen;
  • goede pijnbestrijding;
  • ademhalingsoefeningen;
  • het ophoesten van slijm uit de longen;
  • halfzittende houding in bed;
  • niet roken.

Stoelgang

Na de ingreep functioneren de maag en darmen tijdelijk minder goed, mede ook door de pijnstilling die u krijgt na de operatie. Hierdoor kunt u misselijk zijn en kan de stoelgang vertraagd zijn. Het duurt een paar dagen voor de maag en de darmen weer op gang komen en u weer ontlasting heeft. Dit kan soms gepaard gaan met misselijkheid en krampen. De afdelingsarts schrijft medicijnen voor om de stoelgang op gang te brengen.

Voeding

Als u zich goed voelt kunt u weer starten met eten en drinken. Uw eetlust kan de eerste periode na de ingreep verminderd zijn. Dit kan gedurende langere tijd zo blijven. De verpleegkundige kan u indien nodig in contact brengen met de diëtiste.

Wisselend verloop
Tijdens uw opname kunt u merken dat u zich de ene dag beter voelt dan de andere dag. Dit kan zowel op lichamelijk als op emotioneel gebied zijn. De verpleegkundige kan u hierin ondersteuning bieden.

Daarnaast kunt u gebruik maken van de medewerkers van het Centrum voor Kwaliteit van Leven. Hier werken deskundigen die u en uw naasten psychosociale ondersteuning kunnen bieden. Uw verpleegkundige kan u hiermee in contact brengen.

4. Het ontslag

Het moment van ontslag is afhankelijk van uw herstel en zelfstandigheid. Over het algemeen kunt u na twee tot vijf dagen het ziekenhuis verlaten. Mogelijk heeft u na ontslag uit het ziekenhuis nog zorg nodig. Bespreek dit tijdig met uw verpleegkundige en behandelend arts.

De verpleegkundige voert een ontslaggesprek met u en, als u wilt, uw naaste. Tijdens het gesprek wordt teruggekeken op uw verblijf in het ziekenhuis en wordt u voorbereid op de periode die volgt na ontslag.

Bij ontslag krijgt u een afspraak mee voor poliklinische controles. Hoe lang u poliklinisch moet worden gecontroleerd, hangt samen met de aard van uw ziekte. De afdelingsarts stelt uw huisarts op de hoogte van de ingreep, het verloop van herstel tijdens de ziekenhuisopname en de eventuele vervolgbehandeling.

De periode na het ontslag

Na het ontslag uit het ziekenhuis kunt u uw dagelijkse activiteiten weer geleidelijk uitbreiden tot uw normale niveau. Zorg daarbij voor een dagritme waarbij na activiteiten rustmomenten ingelast zijn. Het is moeilijk aan te geven wanneer u weer helemaal van de ingreep bent hersteld. Dit hangt af van de grootte en de complexiteit van de ingreep, uw conditie en eventuele voor- of nabehandeling.

Gevolgen van de longoperatie
Door het wegnemen van de long of een gedeelte ervan ontstaat ruimte. Is een long in zijn geheel verwijderd? Dan vult de ontstane ruimte zich met weefselvocht dat wordt omgevormd tot een soort littekenweefsel. Is een deel van de long verwijderd? Dan vult de ruimte zich met het overgebleven deel van de long.
Wat u wel en niet kan na de operatie is uiteraard afhankelijk van de kwaliteit van uw longen vóór de operatie en van de hoeveelheid longweefsel, die is verwijderd. Het missen van longweefsel hoeft niet altijd bezwaren op te leveren. Wel kan het betekenen dat (tijdelijk) minder lichamelijke inspanning mogelijk is dan voorheen.

Pijn
U kunt weken tot maanden last houden van een pijnlijke flank. De pijn wordt met name veroorzaakt door de ribben en de rek van de tussenribzenuw(en). Dit kan met pijnstillers worden bestreden. Het is verstandig om de pijnstillers zo in te nemen, dat u diep kunt doorademen en nagenoeg pijnvrij kunt hoesten.

De pijnstillers die u tijdens de opname in het ziekenhuis gebruikte, kunt u thuis afbouwen op geleide van uw pijnklachten. Over het algemeen gelden de volgende stappen:

  • Stap 1: Paracetamol 3-4 x per dag 1000 mg
  • Stap 2: Ibuprofen 3 x per dag 400 mg
  • Zo nodig:
  • Stap 3: Morfine 2x per dag 10-20 mg langwerkend in combinatie met eventueel 4-6 x per dag 10 mg kortwerkende morfine.

Voor het afbouwen kunt u het volgende schema volgen:

  • Verminder en stop eerst de morfine, daarna de Ibuprofen.
  • U kunt stoppen met het gebruik van Pantozol (maagbeschermer) zodra u bent gestopt met Ibuprofen.
  • Blijf Paracetamol drie tot vier maal daags 1000 mg als basis gebruiken. Paracetamol kunt u afbouwen door de middaginname over te slaan.

Wond
Meestal zijn de hechtingen in de wond oplosbaar. Indien niet-oplosbare hechtingen zijn gebruikt, wordt u uitgelegd wanneer de hechtingen na ontslag verwijderd kunnen worden. U kunt hiervoor een afspraak maken bij uw huisarts.

U hoeft de wond geen speciale verzorging te geven. Als de wond gesloten is, kunt u douchen en/of in bad gaan. Dep de wond na afloop droog. Na een week mag u de wond, als u wilt, verzorgen met een neutrale crème of zalf.

Soms gaat een wond ontsteken. Neem contact op met het ziekenhuis als één van onderstaande verschijnselen optreedt:

  • de huid rond de wond wordt vurig rood, warm of gezwollen;
  • u heeft toenemende pijn aan de wond;
  • er komt pus uit de wond;
  • u heeft temperatuursverhoging (boven 38,5 graden Celsius).

U kunt tijdens kantooruren contact opnemen met de polikliniek. Buiten kantooruren neemt u contact op met het centrale nummer van het ziekenhuis. Telefoonnummers staan in hoofdstuk 5 beschreven.

Stoelgang
In de periode na de ingreep kan de stoelgang anders zijn dan u gewend was voor de ingreep. Het kan enige tijd duren totdat dit weer normaal is.

Voeding

Behandeling van kanker kan veel van uw lichaam vergen. Wanneer u in een goede conditie verkeert, kunt u de behandeling doorgaans beter aan en heeft u minder risico op complicaties. Voeding en beweging spelen een belangrijke rol bij het in stand houden of opbouwen van uw conditie. Door de ziekte en behandeling is uw behoefte aan energie en eiwitten verhoogd. Heeft u vragen over voeding of ervaart u ongewenste gewichtsveranderingen die samenhangen met uw behandeling, dan geeft u dat aan bij het behandelteam.

Vermoeidheid en activiteit

U kunt tijdens en na de behandeling last houden van vermoeidheid. Vermoeidheid wordt veroorzaakt door de behandeling, de ziekte zelf en doordat de conditie afneemt. Het is belangrijk dat u ondanks deze vermoeidheid voldoende blijft bewegen, zodat u in ieder geval uw conditie op peil houdt. Hoeveel beweging goed en gezond is, is afhankelijk van uw startniveau.

Door het missen van een gedeelte van de long kan het uithoudingsvermogen verminderd zijn. U kunt bij inspanning sneller last hebben van kortademigheid. Het is van belang de conditie rustig op te bouwen. U kunt hierbij gebruik maken van activiteiten waarbij u zelf het tempo kan bepalen (bijvoorbeeld wandelen, fietsen).

Na de behandeling kunt u zo nodig meedoen aan een revalidatieprogramma. Wilt u graag individueel advies of wilt u meer informatie over het volgen van een revalidatieprogramma, dan kunt u dit vragen aan de fysiotherapeuten bij de controle na de operatie of informatie vragen in het voorlichtingscentrum.

Activiteit
Regelmatige lichaamsbeweging is belangrijk voor de opbouw van uw conditie. Zie hoofdstuk Fysiotherapie in de bijlagen voor een beschrijving van de oefeningen en opbouw van activiteiten.

Gedurende de eerste zes weken mag u geen vliegreizen maken.

Werkhervatting
Wanneer u weer kunt werken is afhankelijk van de aard van uw werkzaamheden en van uw individuele situatie. De bedrijfsarts is hier vaak bij betrokken. Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u terecht bij het voorlichtingscentrum in de centrale hal van het ziekenhuis.

Intimiteit, Seksualiteit en Kanker
De diagnose en behandeling van kanker kunnen veel veranderen in uw leven en dat van uw partner. Ook het lichaamsbeeld en de lichaamsbeleving kunnen door de behandeling veranderen. In het Antoni van Leeuwenhoek kunt u terecht bij medewerkers die ervaren zijn in het bespreken van problemen op het gebied van intimiteit, seksualiteit en kanker. Bij hen kunt u terecht met al uw vragen en twijfels op dit gebied. Hiervoor kunt u een afspraak maken via het secretariaat van het Centrum voor Kwaliteit van Leven.

Meer informatie kunt u lezen in de folder Intimiteit, Seksualiteit en Kanker. De folder is te verkrijgen op de verpleegafdeling, de polikliniek en het voorlichtingscentrum.

Concentratie
Door de narcose, medicijngebruik en de emoties rondom de ingreep kunnen uw concentratie, geheugen en beoordelingsvermogen tijdelijk verminderd zijn. Houdt u hiermee rekening als u deelneemt aan het verkeer.

Verwerking
Binnen het Centrum voor Kwaliteit van Leven werken hulpverleners zoals maatschappelijk werkers, geestelijk verzorgers, psychiatrisch verpleegkundigen en creatief therapeuten. Zij hebben veel ervaring met, en weten veel over, het omgaan met kanker. Zij helpen u bij het zoeken naar antwoorden op uw vragen. De hulpverleners bieden inzicht en handvatten voor het omgaan met de ziekte, de behandeling en de beperkingen die dat met zich mee kan brengen. Ook tijdens de herstelperiode na een behandeling kunnen zij ondersteuning bieden. Daarnaast kunnen zij bemiddelen en adviseren bij verwijzing naar andere instanties buiten het ziekenhuis.

Continuïteitsbezoek

De mogelijkheid bestaat om een continuïteitsbezoek aan te vragen bij de thuiszorg organisatie in uw regio of via Care for Cancer. Een wijkverpleegkundige gespecialiseerd in de zorg voor kankerpatiënten, komt op afspraak bij u thuis. Zij neemt uw vragen met u door, geeft praktische adviezen en biedt begeleiding. Een continuïteitsbezoek kunt u aanvragen via www.careforcancer.nl

Contact met het ziekenhuis

Neem in ieder geval contact op met het ziekenhuis (of via de huisarts) als u onderstaande lichamelijke problemen ervaart:

  • temperatuursverhoging boven de 38.5 graden Celsius;
  • aanhoudende misselijkheid en braken, niet kunnen eten en meer dan twee kilo per week afvallen;
  • obstipatie (langer dan drie dagen geen ontlasting);
  • aanhoudende pijn in het wondgebied die niet met pijnstillers onder controle te krijgen is;
  • benauwdheid en hoesten.

Neemt u bij voorkeur contact op in de ochtend met de polikliniek. Buiten kantooruren neemt u contact op met het centrale nummer van het ziekenhuis.

Voor algemene klachten verzoeken wij u eerst contact op te nemen met de huisarts.

5. Belangrijke telefoonnummers en adressen

Zorgverlener of afdeling

Telefoonnummer

Tijdstip van bereikbaarheid

Uw huisarts

BIJ SPOED

Algemeen Nummer AvL

020 - 512 9111

Binnen kantooruren vragen naar Verpleegkundig Specialist Long-/thoraxchirurgie

Buiten kantooruren vragen naar het Weekend-, Avond- en Nachthoofd

Niet-spoedeisende vragen

020 - 512 9111

Binnen kantoortijden vragen naar

  • Polikliniek back office
  • Verpleegkundig Specialist Long-/thoraxchirurgie

Of op donderdagochtend tussen 8.00u en 9.00u telefonisch spreekuur poli verpleegkundige longchirugie

Bijlage

I. Ligging en functie van de longen

Afbeelding van de longen

De rechter- en linkerlong bevinden zich in de borstkas, aan weerszijden van het hart. Het gebied tussen de beide longen wordt het mediastinum genoemd. Hierin liggen behalve het hart, de luchtpijp, de slokdarm, bloedvaten (onder andere de grote lichaamsslagader en de longslagaders), zenuwen, lymfeklieren en lymfevaten. De rechterlong bestaat uit drie longkwabben; de linker uit twee kwabben (zie bovenstaande afbeelding). De long is omgeven door longvliezen, het ene vlies bekleedt de long aan de buitenzijde, het andere vlies bekleedt de ribbenkast aan de binnenzijde. De buitenkant van de thorax wordt gevormd door de ribben, het schouderblad, de wervelkolom en het borstbeen, met daaromheen spieren, vet en huid.

De lucht die we via de neus of de mond inademen, bereikt via de keelholte de luchtpijp (trachea). De luchtpijp splitst zich in twee grote vertakkingen. Elke vertakking (bronchus), gaat naar een long en splitst zich in steeds kleinere luchtkanalen. Deze monden uit in de longblaasjes. De functie van de longen is de uitwisseling van zuurstof (O2) en koolzuurgas (CO2). Uit de ingeademde lucht wordt zuurstof in het lichaam opgenomen. Met de uitgeademde lucht verdwijnt koolzuurgas uit het lichaam.

II. Mediastinoscopie

Een mediastinoscopie is een kijkoperatie, waarbij met behulp van een camera via een snede in de hals achter het borstbeen gekeken wordt in het bovenste deel van de borstholte, waarbij biopten afgenomen kunnen worden van lymfeklieren. Het is een diagnostisch onderzoek en levert informatie op die soms nodig is om te kunnen beslissen welke behandeling moet worden geadviseerd. Tijdens het onderzoek bent u onder algehele narcose.

De operatie

Via een kleine snede in de hals, vlak boven het borstbeen, kan de chirurg met een korte open buis met een lichtbron (mediastinoscoop) al kijkend door de buis achter het borstbeen komen (zie onderstaande afbeelding). Achter het borstbeen ligt het mediastinum, het gebied tussen de rechter- en linkerlong.

Hierin liggen het hart, de luchtpijp, de slokdarm, bloedvaten (onder andere de grote lichaamsslagader), zenuwen, lymfeklieren en lymfevaten. Met behulp van fijne instrumenten worden door de mediastinoscoop weefselmonsters (biopten) genomen uit de lymfeklieren langs de luchtpijp voor microscopisch onderzoek. Nadat de biopten zijn genomen wordt het sneetje in de huid met hechtingen gesloten.

Afbeeldingsresultaat voor mediastinoscopy

Mogelijke complicaties
Geen enkele operatie is zonder risico’s. Zo is ook bij de mediastinoscopie de normale kans op complicaties aanwezig, zoals nabloeding, wondinfectie, trombose of longontsteking. Soms ontstaat een bloeding tijdens de operatie. Deze is bijna altijd zonder verdere uitbreiding van de operatie te verhelpen. Toch is het goed te beseffen dat, wanneer er iets technisch niet goed oplosbaar blijkt via de kleine operatieopening, er reden kan zijn om de borstholte open te maken.
Na de operatie kan rond de wond een bloeduitstorting aanwezig zijn. Deze verdwijnt spontaan. Zelden ontstaat een infectie na deze operatie. Een enkele maal treedt heesheid op, die doorgaans na enkele weken verdwijnt.

Na de ingreep
Na deze operatie heeft u niet veel pijn. Vooral de eerste dag kan een drukkend gevoel achter het borstbeen bestaan. Ook kan de nek wat stijf aanvoelen. Al snel kunt u weer normaal eten en drinken en meestal kunt u ’s avonds of de volgende dag het ziekenhuis verlaten. U hoeft uw dagelijkse activiteiten niet te beperken na het onderzoek. Het onderzoek van de weefselmonsters kan enige dagen duren (drie tot vijf werk dagen). Als de uitslag er is, bespreekt de longarts en/of chirurg die met u.

III. Sternotomie

Wanneer er zich een afwijking achter het borstbeen bevindt, zoals bijvoorbeeld een thymoom (gezwel uitgaande van de zwezerik), kan het noodzakelijk zijn deze te verwijderen door middel van een operatie via het borstbeen.

De operatie

Bij een sternotomie wordt het borstbeen doorgezaagd, waarna de ruimte achter het borstbeen (mediastinum) benaderd kan worden. Na verwijderen van de afwijking(en) wordt het borstbeen weer aan elkaar gezet met staaldraden, zodat het weer vast kan groeien. Meestal worden een of twee drains achtergelaten. Deze staaldraden hoeven niet meer verwijderd te worden en kunnen levenslang blijven zitten.


Mogelijke complicaties
Bij een sternotomie bestaat er eveneens een kans op complicaties, zoals nabloeding, wondinfectie, trombose of longontsteking. Soms ontstaat er een bloeding of letsel van de zenuwen tijdens de operatie, afhankelijk van waar de afwijking zich bevindt en welke structuren (bloedvaten en/of zenuwen) zich in de directe nabijheid bevinden. Zelden ontstaat een infectie van het borstbeen na deze operatie.

Na de ingreep

Na deze operatie heeft u niet veel pijn. Vooral de eerste dagen kan een drukkend gevoel ter plaatse van het borstbeen bestaan. De drains worden binnen enkele dagen na de operatie verwijderd. U mag 6 weken geen zware oefeningen doen met de borstspieren.

IV. Thoracoscopische ingrepen

Een thoracoscopische (VATS = video assisted thoracoscopic surgery) ingreep is een kijkoperatie waarbij met een kijkbuis (thoracoscoop) in de borstholte wordt gekeken. U bent hierbij onder algehele narcose. De thoracoscoop bestaat uit een rechte buis, waarop een kleine videocamera is gemonteerd en een lichtbron. De thoracoscoop wordt verbonden met een TV-monitor, zodat de chirurg zijn handelingen op een TV-scherm ziet en controleert. Deze thoracoscoop wordt tussen de ribben door in de borstholte gebracht, zodat de buitenzijde van de long kan worden bekeken.

De thoracoscopie

Bij een thoracoscopische ingreep worden speciale chirurgische instrumenten gebruikt om in de borstholte te kunnen opereren. In plaats van één grotere snede (litteken) worden daarom meerdere (2, 3 of 4) kleine snede gemaakt. De plaats van deze kleine snede staan in onderstaande afbeelding weergegeven. Zo nodig kunnen weefselmonsters voor onderzoek worden genomen. Met speciale nietapparaten kunnen ook kleinere tumoren uit een longkwab worden weggenomen of kan een gehele longkwab kan worden verwijderd. De kijkoperatie kan daarmee gebruikt worden als een diagnostisch onderzoek of direct voor een behandeling.

De markeringen geven de plaats aan van kleine snede die tijdens de thoracoscopie worden gemaakt.

Reden voor een thoracoscopie of een thoracoscopische ingreep kunnen zijn:

  • Het verwijderen van kleine afwijkingen of uitzaaiingen.
  • Het verwijderen van een deel van of de gehele longkwab, bijvoorbeeld in geval van longkanker
  • Diagnostische operaties, zoals een longbiopsie. Bij een aantal longafwijkingen kan het nodig zijn om weefselmonsters voor microscopisch onderzoek te verkrijgen. Dat kan zijn: longweefsel, lymfklierweefsel, longvliesweefsel. Ook kan het zijn dat langs deze weg gekeken wordt of een longoperatie mogelijk is.

Beperkingen van thoracoscopie

Het is goed om rekening te houden met de mogelijkheid dat er toch een wat grotere snede gemaakt moet worden. Wanneer de thoracoscopische ingreep technisch niet goed uitvoerbaar blijkt, kan er reden zijn om de thoracoscopische procedure te staken en aansluitend over te gaan op een open operatie (thoracotomie, het openen van de borstholte).

Aan het einde van een thoracoscopische ingreep worden meestal één (of twee) slangen (drains) in de borstkas gebracht. Aan deze slangetje(s) wordt een afzuigsysteem bevestigd. Dit afzuigsysteem zorgt ervoor dat de long zich zo goed mogelijk kan ontplooien, waarbij lucht en vocht worden afgezogen. De luchtlekkage is in het algemeen binnen twee tot vijf dagen gestopt. Wanneer de controle röntgenfoto goed is, kan de drain worden verwijderd.

Na de operatie
Meestal kunt u na 3-7 dagen naar huis. U kunt uw activiteiten weer langzaam opbouwen.

V. Longoperaties

Open of kijkoperatie?

Er zijn meerdere manieren om aan de long te opereren. De 2 meest voorkomende manieren zijn tussen de ribben door via een open benadering (thoracotomie) of met behulp van een kijkoperatie of robotoperatie (thoracoscopie, VATS of RATS). Minder voorkomende benaderingen zijn via het borstbeen of aan de voorzijde juist naast het borstbeen tussen de ribben door. De keuze voor een open benadering of kijkoperatie hangt van de reden voor de operatie en de grootte en ligging van de afwijking(en) die verwijderd moet(en) worden.

Tijdens een thoracotomie, VATS of RATS, ligt u op de zij. Na het bereiken van de borstholte wordt bekeken hoe de situatie is: de grootte van de tumor en de ligging ten opzichte van bloedvaten en luchtpijpvertakkingen. Zo nodig worden nog weefselmonsters genomen voor snelonderzoek (hetgeen gedurende de operatie plaatsvindt).

In geval van een longkanker wordt na deze inventarisatie meestal besloten tot verwijdering. Dit kan zijn de gehele long (pneumonectomie), één of twee kwabben (lobectomie) of nog beperkter, enkele delen van een kwab (segmentresectie). In geval van uitzaaiing in de long kan de operatie vaak beperkt blijven tot wig- of segmentresectie.

Verschillende soorten operaties.

Als sprake is van een tumor die zowel in de long als in de ribben (thoraxwand) groeit, wordt meestal een deel van de long samen met de thoraxwand weggenomen. Het kan dan nodig zijn om de wond te sluiten met behulp van kunststofmateriaal. Bij een operatie vanwege mesothelioom wordt de aangedane long samen met de longvliezen verwijderd. Ook hierbij is vaak kunststofmateriaal nodig om het middenrif of hartzakje te repareren.

Het weefsel dat tijdens de operatie wordt verwijderd, wordt onderzocht en getypeerd op de afdeling pathologie (PA). Het duurt zeven tot tien dagen voordat de uitslag van dergelijk weefselonderzoek bekend is.

Voor het sluiten van de wond worden één of twee afvoerslangen (thoraxdrains) in de borstholte achter gelaten (zie onderstaande afbeelding). Op deze drains wordt een afzuigsysteem aangesloten. Hierdoor kunnen vocht en lucht aflopen. De drain(s) worden na een aantal dagen verwijderd.

http://www.helendemeesters.nl/artman/uploads/longoperatie.jpg

Plaats van de drain na de operatie en plaats van het litteken na de operatie.

VI. Fysiotherapie voor en tijdens opname bij een longoperatie

Voor de opname heeft u een gesprek met de fysiotherapeut. Tijdens dit gesprek worden de volgende punten besproken:

1. Waarom fysiotherapie na de operatie?

Na de operatie moet u elke dag ademhalingsoefeningen doen omdat goed gebruik van de longen belangrijk is voor een voorspoedig herstel.

2. Informatie over opbouw van activiteiten na de operatie

De verpleegkundige begeleidt u bij het uit bed komen en het lopen. Het schema hiervoor vindt u bij de verpleegkundige informatie. Het is belangrijk dat u dit schema zoveel mogelijk volgt omdat de houding in zit of stand en het zo snel mogelijk weer gaan lopen, noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de longen.

3. Uitleg ademhalingsoefeningen

Het is de bedoeling dat u zelf elk uur oefent als u wakker bent: begin een minuut met een rustige buikademhaling en daarna vijfmaal een diepe inademing. Na de ademhalingsoefeningen gaat u een paar maal huffen en hoesten (zie onderstaande toelichting).

Rustige buikademhaling (5x)

  • Ga ontspannen zitten of liggen.
  • Leg de handen op de buik en adem langzaam diep in richting de buik. Voel de buik tijdens de inademing naar de handen toe bewegen (opbollen).
  • Adem daarna uit door de mond, waarbij u de buik voelt terugzakken.

Diepe inademing (5x)

  • Adem langzaam zo diep mogelijk in.
  • Houd uw adem 2 tot 3 seconden vast (niet persen).
  • Adem daarna langzaam en volledig uit door de mond met getuite lippen.

Huffen (3x)

  • Adem rustig in.
  • Doe de mond wijd open (alsof u gaapt) en adem in 1 keer kort en krachtig uit.
  • Let erop dat bij het uitademen uw mond goed openblijft en dat de kracht uit uw buik komt.
  • Huffen is alsof u de glazen van een bril of een spiegel wilt laten beslaan.

Hoesten

  • Probeer zo krachtig mogelijk te hoesten.
  • Hierbij kunt u zo nodig tegendruk geven op het operatiegebied (buik/borst) met uw handen of een klein (hoest)kussentje.

Deze oefeningen zijn ook terug te vinden op mijnAVL en de iPad op uw kamer tijdens opname.

Fysiotherapie na een longoperatie

De eerste zes weken na de operatie zijn gericht op wondgenezing en begin van het herstel. Belangrijke punten hierbij zijn:

1. Beweeglijkheid schouder en borstkas

Het is mogelijk dat u uw arm aan de geopereerde kant moeilijker kunt bewegen omdat de spierkracht verminderd is of omdat het pijnlijk is. Ook de borstkas kan stijf en pijnlijk aanvoelen.

Regelmatig bewegen is belangrijk om deze pijn of stijfheid te laten verdwijnen en de kracht weer terug te krijgen. Hieronder staan enkele oefeningen die u, indien nodig op advies van de fysiotherapeut, kunt doen.

Algemeen oefenadvies:

  • Doe elke oefening tien keer en let erop dat u normaal blijft doorademen.
  • Voer de oefeningen rustig en gecontroleerd uit.
  • Ook tijdens het oefenen kunt u enige stijfheid en pijn voelen. Deze pijn mag echter niet te sterk worden en niet te lang duren want dan heeft u te zwaar geoefend.
  • Ontspan even tussen de verschillende oefeningen.
  • Ga door met elke dag oefenen totdat uw schouders en borstkas niet meer stijf aanvoelen en u zich weer normaal kunt bewegen.

Oefeningen:

  • Oefenhouding: rechtop zittend. Vouw de handen in elkaar en strek de ellebogen. Breng de armen zover mogelijk omhoog, houd twee tellen vast en ga daarna langzaam weer naar beneden.
  • C:\Users\e.brouwer\AppData\Local\Microsoft\Windows\INetCache\Content.MSO\6419C2C6.tmp
  • Oefenhouding: rechtop zittend. Vouw de handen in de nek en houd de bovenarmen horizontaal. Beweeg de ellebogen zover mogelijk naar achteren, houd twee tellen vast en ga daarna weer rustig naar voren met de ellebogen.
  • C:\Users\e.brouwer\AppData\Local\Microsoft\Windows\INetCache\Content.MSO\913984DA.tmp
  • Oefenhouding: rechtop zittend. Vouw de handen in de nek en houd de bovenarmen horizontaal. Draai met de romp naar rechts, adem zo diep mogelijk in en houd twee tellen vast. Adem weer rustig uit, draai daarna naar links, ook diep inademen en twee tellen vasthouden. Let erop dat u goed rechtop blijft zitten en dat het bekken en de benen niet meedraaien.
  • C:\Users\e.brouwer\AppData\Local\Microsoft\Windows\INetCache\Content.MSO\2FA6D120.tmp
  • Oefenhouding: rechtop staand, benen iets gespreid. Breng de arm aan de geopereerde kant boven uw hoofd en zet de andere arm in de zij. Buig zoveel mogelijk zijwaarts naar de niet-geopereerde kant, adem zo diep mogelijk in en houd twee tellen vast. Adem rustig uit en ga weer terug naar het midden. Blijf goed op twee voeten staan en let erop dat u niet voor of achterover leunt, alleen zijwaarts.
  • Thoracale wervelkolom | SpringerLink

2. Pijn

Als u (veel) pijn heeft, wordt u gehinderd in uw dagelijkse handelingen zoals wassen, aankleden, diep zuchten en andere activiteiten. Het is dus belangrijk dat de pijn onder controle is. Als dat niet zo is, bespreek het dan met uw arts die goede pijnstilling kan voorschrijven. Daarnaast heeft bewegen ook een gunstige invloed op pijn. Blijf dus vooral uw dagelijkse activiteiten doen, evenals uw oefeningen als dat nog nodig is. Probeer ook elke dag een stukje te wandelen (zie punt 4).

3. Houding

Door de operatiewond kan u wat scheef gaan staan en lopen. Als u dit probeert te corrigeren kan dat rekpijn geven bij het litteken. Toch is het belangrijk om een goede houding aan te nemen, anders krijgt u op den duur klachten in andere spieren. De rekpijn die u eventueel voelt, is tijdelijk.

4. Conditie

Deze eerste periode na de operatie zult u merken dat u snel moe bent, misschien kortademig en dat uw conditie sterk verminderd is. Om uw uithoudingsvermogen weer op te bouwen kunt u, als u weer thuis bent, naast uw dagelijkse activiteiten gaan wandelen. Begin met ongeveer vijf minuten en probeer dit uit te breiden totdat u minimaal een half uur per dag kunt wandelen in een normaal tempo. Eventueel kunt u ook verspreid over de dag tweemaal een kwartier wandelen.

Zorg voor een goede verdeling van uw activiteiten over de dag. Bouw ook rustpunten in. U kunt met bovenstaande adviezen goed zelf aan uw herstel werken. Als het nodig is zal de fysiotherapeut u bij ontslag uit het ziekenhuis een overdracht voor fysiotherapie meegeven zodat u thuis onder begeleiding verder kunt oefenen. Ongeveer zes weken na de operatie is het proces van de wondgenezing zo goed als voltooid en kunt u de intensiteit van inspanning verder gaan opbouwen. Het is hierbij belangrijk dat u regelmatig blijft bewegen. Sportief bewegen met een matige intensiteit, dat wil zeggen dat u nog een gesprek kunt voeren tijdens het sporten, verbetert onder andere uw hartfunctie, uw uithoudingsvermogen en uw spierkracht. Het zal u ook meer zelfvertrouwen geven en uw mogelijke angst voor bewegen wordt minder. U gaat langzamerhand weer terug naar de activiteiten van voor de operatie, bijvoorbeeld uw werk en sportschool. Houd dan wel rekening met een rustige opbouw. Het is niet goed als u dagen na het sporten nog klachten van moeheid en spierpijn heeft. Als dat wel zo is, kunt u het de volgende keer beter wat rustiger aan doen. Minder geschikt voor de eerste maanden zijn krachtsporten en contactsporten.

Er zijn verschillende mogelijkheden om door te gaan met sportief bewegen:

  • U bent al onder behandeling bij een fysiotherapeut en gaat hier nog mee door of volgt zijn/haar advies over hoe u verder kunt gaan.
  • Nog meer informatie over sportief bewegen onder begeleiding kunt u vinden op de volgende website: www.tegenkracht.nl
  • Er zijn tegenwoordig ook veel fysiotherapeuten die in hun praktijk mensen individueel of in groepsverband kunnen begeleiden op het gebied van conditieverbetering. Op onconet.nu kunt u bij uzelf in de buurt een oncologisch gespecialiseerd fysiotherapeut vinden. U kunt hiervoor bij de huisarts een verwijzing krijgen.
  • U kunt natuurlijk ook zelf uw conditie bijhouden of verbeteren. Probeer dan om volgens de Nederlandse Norm Gezond Bewegen minimaal vijf dagen in de week een half uur per dag matig intensief te bewegen. Wandelen, fietsen, zwemmen of dansen zijn hiervoor zeer geschikt. Neem ook eens vaker de trap in plaats van de lift en de fiets in plaats van de auto.
  • Als u tot nu toe geen begeleiding heeft gehad en uw conditie is nog erg matig of u heeft andere klachten, bespreek dit dan met uw arts. Deze kan u dan alsnog doorverwijzen naar een fysiotherapeut bij u in de buurt.

Praktische informatie

Contact

Ons algemene nummer is 020 512 9111. Onze telefonisten verbinden u graag door met de juiste afdeling.

Voor dringende zaken buiten kantooruren kunt u vragen naar het Weekend-, Avond- of Nachthoofd. Bel bij medische spoed altijd 112. Voor andere vragen verzoeken wij u te wachten tot de volgende werkdag.

Centrum Patiënteninformatie

Wilt u meer informatie omdat u of een naaste te maken heeft met kanker? Onze medewerkers denken graag met u mee. U kunt bellen of zonder afspraak binnenlopen.

Lees meer over het Centrum Patiënteninformatie

Centrum voor Kwaliteit van Leven

Heeft u behoefte aan professionele steun tijdens en na uw behandeling? Dan kunt u een afspraak maken bij ons centrum via uw behandelaar.

Lees meer over het Centrum voor Kwaliteit van Leven

Route & adres

U vindt meer praktische informatie over uw bezoek, de route & parkeren, onze bezoektijden en voorzieningen en diensten op onze website.

Praktische informatie

onload