Deze website maakt gebruik van cookies

Deze website toont video’s van YouTube. Deze partij plaatst cookies (third party cookies). Als u deze cookies niet wilt, dan kunt u dat hier aangeven. U kunt dan geen video’s op deze website zien. Wij plaatsen zelf ook cookies om onze site te verbeteren. Deze gegevens worden niet aan derden verstrekt. Lees meer over het cookiebeleid

Deze website maakt gebruik van cookies om video's te tonen en het gebruikersgemak te verbeteren. Als u deze cookies niet wilt, dan kunt u dat hier aangeven. Lees meer over het cookiebeleid

Ga direct naar de inhoud, het hoofdmenu, het servicemenu of het zoekveld.

Tumormarkers

AVL4-262.jpg

Tumormarkers zijn stoffen, meestal eiwitten, die uw lichaam maakt als reactie op kanker of die door de kanker zelf gemaakt worden. We kunnen tumormarkers meten in uw bloed, urine, hersenvocht of weefselmateriaal.

Sommige tumormarkers horen bij één soort kanker, andere komen voor bij meerdere soorten. Deze stoffen bewijzen niet dat er een tumor zit: we vinden ze ook bij andere ziektes en zelfs bij gezonde mensen. De uitslag alleen zegt dus niet alles. Tumormarkers kunnen ons helpen een diagnose te stellen, maar alleen in combinatie met ander onderzoek.

De stoffen zeggen ons vooral veel over het verloop van uw ziekte. We kunnen ermee zien of uw behandeling aanslaat en of de kanker na de behandeling wegblijft of terugkeert.

Hieronder leest u welke tumormarkers wij bij de verschillende soorten kankers kunnen bepalen.

Wat gaat er gebeuren

Meestal worden tumormarkers gelijk met andere algemene laboratoriumonderzoeken gemeten en hoeft u hiervoor niet apart naar het laboratorium om bloed te laten afnemen.

α-foetoproteïne (AFP)

Wordt vooral gebruikt bij:

  • diagnose en beloop van leverkanker en sommige tumoren van de teelballen en eierstokken;
  • diagnose en beloop van een kiemceltumor van het centrale zenuwstelsel, een zeldzame tumor die vooral bij kinderen voorkomt.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • andere tumoren (galweg-, pancreas- en maagcarcinoom);
  • tijdens de zwangerschap;
  • acute en chronische hepatitis of levercirrose.

Carcino embryonaal antigeen (CEA)

Wordt vooral gebruikt bij:

  • diagnose en beloop van adenocarcinomen (kanker afkomstig van klierweefsel) van elke oorsprong, maar vooral bij dikke darmkanker en borstkanker.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • goedaardige leveraandoeningen (cirrose, galwegobstructie, hepatitis);
  • goedaardige maag- en darmaandoeningen (de ziekte van Crohn, colitis).

CA 125

Wordt vooral gebruikt bij:

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • andere kwaadaardige aandoeningen;
  • goedaardige gynaecologische aandoeningen;
  • vocht tussen de longvliezen of achter het buikvlies.

CA 19-9

Wordt vooral gebruikt bij:

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • goedaardige aandoeningen van de maag of darmen;
  • galstuwing of levercirrose;
  • reumatoïde arthritis, SLE of sclerodermie;
  • alvleesklierontsteking.

CA 15-3

Wordt vooral gebruikt bij:

  • borstkanker, zelden bij goedaardige gezwellen in de borst.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • adenocarcinomen met een andere oorsprong dan de borst;
  • leveraandoeningen.

Chromogranin A (CgA)

Wordt vooral gebruikt bij:

Kan ook verhoogd zijn bij:

Cyfra 21.1

Wordt vooral gebruikt bij:

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • pneumonitis ten gevolge van bestraling;
  • goedaardige longziektes;
  • nierfalen

HCG

Wordt vooral gebruikt bij:

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • nefrotisch syndroom;
  • andere tumoren;
  • zwangerschap.

HE4

Wordt vooral gebruikt bij:

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • nierfalen

Prostaat specifiek antigeen (PSA)

Wordt vooral gebruikt bij:

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • goedaardige prostaataandoeningen (hypertrofie, prostatitis).

Plaveiselcel carcinoom antigeen (SCC antigeen)

Wordt vooral gebruikt bij:

  • kanker van het type plaveiselcelcarcinoom, voorkomend in baarmoederhals, long, anus en hoofd/hals.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • goedaardige huidaandoeningen (psoriasis, eczeem e.d.);
  • ontsteking van de luchtwegen.

S100(B)

Wordt vooral gebruikt bij:

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • schwannoom (brughoektumor), neuroblastoom (tumor in bepaald deel van het zenuwstelsel), glioom (hersentumor);
  • hersenbloeding of een beroerte;
  • nekkramp of hersenontsteking (gemeten in het hersenvocht of het serum).

Thyreoglobuline

Wordt vooral gebruikt bij:

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • verschillende ziektes van de schildklier, zoals een ontsteking, aangeboren schildklierafwijkingen, of goedaardige schildkliertumoren;
  • na hoge jodiumopname;
  • de ziekte van Graves;

Bij welke kankersoorten worden Tumormarkers toegepast?

Meer informatie

Deel dit onderwerp
 
We helpen u graag verder020 512 9111
 
contact
020 512 9111
We helpen u graag verder