Tumormarkers

Tumormarkers zijn stoffen, meestal eiwitten, die uw lichaam maakt als reactie op kanker of die door de kanker zelf gemaakt worden. We kunnen tumormarkers meten in uw bloed, urine, hersenvocht of weefselmateriaal.

Sommige tumormarkers horen bij één soort kanker, andere komen voor bij meerdere soorten. Deze stoffen bewijzen niet dat er een tumor zit: we vinden ze ook bij andere ziektes en zelfs bij gezonde mensen. De uitslag alleen zegt dus niet alles. Tumormarkers kunnen ons helpen een diagnose te stellen, maar alleen in combinatie met ander onderzoek.

De stoffen zeggen ons vooral veel over het verloop van uw ziekte. We kunnen ermee zien of uw behandeling aanslaat en of de kanker na de behandeling wegblijft of terugkeert.

Hieronder leest u welke tumormarkers wij bij de verschillende soorten kankers kunnen bepalen.

Wat gaat er gebeuren

α-foetoproteïne (AFP)

Wordt vooral gebruikt bij:

  • diagnose en beloop van leverkanker en sommige tumoren van de teelballen en eierstokken;
  • diagnose en beloop van een kiemceltumor van het centrale zenuwstelsel, een zeldzame tumor die vooral bij kinderen voorkomt.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • andere tumoren (galweg-, pancreas- en maagcarcinoom);
  • tijdens de zwangerschap;
  • acute en chronische hepatitis of levercirrose.

Carcino embryonaal antigeen (CEA)

Wordt vooral gebruikt bij:

  • diagnose en beloop van adenocarcinomen (kanker afkomstig van klierweefsel) van elke oorsprong, maar vooral bij dikke darmkanker en borstkanker.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • goedaardige leveraandoeningen (cirrose, galwegobstructie, hepatitis);
  • goedaardige maag- en darmaandoeningen (de ziekte van Crohn, colitis).

CA 125

Wordt vooral gebruikt bij:

  • beloop bij eierstokkanker.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • andere kwaadaardige aandoeningen;
  • goedaardige gynaecologische aandoeningen;
  • vocht tussen de longvliezen of achter het buikvlies.

CA 19-9

Wordt vooral gebruikt bij:

  • beloop na een operatie of chemotherapie bij alvleesklierkanker;
  • het vervolgen van andere kwaadaardige aandoeningen, zoals maag-, dikke darm-, lever-, gal- of eierstokkanker.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • goedaardige aandoeningen van de maag of darmen;
  • galstuwing of levercirrose;
  • reumatoïde arthritis, SLE of sclerodermie;
  • alvleesklierontsteking.

CA 15-3

Wordt vooral gebruikt bij:

  • borstkanker, zelden bij goedaardige gezwellen in de borst.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • adenocarcinomen met een andere oorsprong dan de borst;
  • leveraandoeningen.

Chromogranin A (CgA)

Wordt vooral gebruikt bij:

  • neuro-endocriene tumoren in graad 1 en 2.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • prostaatkanker
  • het gebruik van protonpompremmers.

Cyfra 21.1

Wordt vooral gebruikt bij:

  • Het vervolgen van niet-kleincellige longtumoren
  • Bij andere cytokeratineproducerende tumoren, zoals baarmoederhalskanker en blaaskanker.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • pneumonitis ten gevolge van bestraling;
  • goedaardige longziektes;
  • nierfalen

HCG

Wordt vooral gebruikt bij:

  • bij sommige vormen van teelbalkanker en eierstokkanker;
  • kanker van de placenta.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • nefrotisch syndroom;
  • andere tumoren;
  • zwangerschap.

HE4

Wordt vooral gebruikt bij:

  • diagnostiek goedaardige aandoening van de eierstokken of  eierstokkanker;
  • nazorg bij  eierstokkanker.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • nierfalen

Prostaat specifiek antigeen (PSA)

Wordt vooral gebruikt bij:

  • prostaatkanker.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • goedaardige prostaataandoeningen (hypertrofie, prostatitis).

Plaveiselcel carcinoom antigeen (SCC antigeen)

Wordt vooral gebruikt bij:

  • kanker van het type plaveiselcelcarcinoom, voorkomend in baarmoederhals, long, anus en hoofd/hals.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • goedaardige huidaandoeningen (psoriasis, eczeem e.d.);
  • ontsteking van de luchtwegen.

S100(B)

Wordt vooral gebruikt bij:

  • melanoom (een vorm van huidkanker).

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • schwannoom (brughoektumor), neuroblastoom (tumor in bepaald deel van het zenuwstelsel), glioom (hersentumor);
  • hersenbloeding of een beroerte;
  • nekkramp of hersenontsteking (gemeten in het hersenvocht of het serum).

Thyreoglobuline

Wordt vooral gebruikt bij:

  • schildklierkanker.

Kan ook verhoogd zijn bij:

  • verschillende ziektes van de schildklier, zoals een ontsteking, aangeboren schildklierafwijkingen, of goedaardige schildkliertumoren;
  • na hoge jodiumopname;
  • de ziekte van Graves;