Chirurgie

Chirurgie bij kanker in de lever

Kanker die in de lever ontstaat, wordt primaire leverkanker genoemd. De meest voorkomende vorm ontstaat uit levercellen, maar het kan ook ontstaan uit de galwegen in de lever. Operatieve verwijdering van het deel van de lever met de tumor, is de beste behandeling bij leverkanker.

Operatie niet mogelijk bij grote of uitgebreide leverkanker

Als de tumor te groot of te uitgebreid is, is een operatie niet mogelijk. We kunnen dan met andere behandelingen, bijvoorbeeld chemotherapie, proberen de tumor te verkleinen. In zeldzame gevallen is het mogelijk de hele lever te verwijderen en een donorlever te plaatsen. Als dit aan de orde is, verwijzen wij u door naar een levertransplantatiecentrum.

Multidisciplinaire samenwerking

De behandeling van leverkanker is vaak complex. Daarom coördineren gespecialiseerde chirurgen uw behandeling in samenspraak met oncologen, maag-darm-leverartsen, radiotherapeuten en interventie-radiologen.

Meer informatie

Hoe gaat een operatie bij kanker in de lever in zijn werk?

Om de lever te bereiken, wordt een incisie gemaakt onder de rechter ribbenboog. Tijdens de operatie leggen we de lever 'vrij', zodat we de grote bloedvaten kunnen controleren.

Het deel van de lever met de tumor wordt verwijderd. Dit gebeurt met speciale apparatuur en technieken, waardoor we zoveel mogelijk leverweefsel kunnen sparen met zo min mogelijk bloedverlies. Sommige (kleine) tumoren kunnen tijdens de operatie ook worden vernietigd met behulp van radiofrequente ablatie (RFA) dan wel microwave ablatie (MWA).

Effectiviteit

De uitkomst van de behandeling van kanker in de lever hangt af van de primaire tumor, de mogelijke behandeling(en) en of u uitzaaiingen heeft.

Preoperatieve screening

Voorafgaand aan uw operatie heeft u een afspraak met de anesthesioloog op de polikliniek voor een gesprek en kort onderzoek naar uw lichamelijk conditie en eventuele bijzonderheden. De spreekuurassistente meet bij u de hartslag en bloeddruk en vraagt naar uw lengte en gewicht; zo nodig worden deze gemeten.

Deze preoperatieve screening duurt ongeveer 20 minuten en vormt de basis voor het anesthesieplan. De anesthesioloog beluistert uw longen en uw hart. Daarnaast wordt uw mond en keel geïnspecteerd voor het beademingsbuisje dat bij de narcose in uw luchtpijp zal worden geplaatst. Ook vraagt de anesthesioloog u naar:

  • Of u eerder onder verdoving bent geweest
  • Welke aandoeningen u nog meer hebt
  • Of u al eerder kankermedicijnen heeft gehad
  • Of u al eerder bestraald bent
  • Welke allergieën u heeft
  • Of u rookt
  • Of u alcohol gebruikt
  • Welke medicijnen u gebruikt

Het is daarom van groot belang dat u precies kunt aangeven welke medicijnen u hoe vaak en in welke dosering gebruikt. Als er aanleiding voor is, krijgt u mogelijk nog meer onderzoeken. Dat kunnen zijn: een elektrocardiogram (ECG of hartfilmpje), een röntgenfoto van uw longen, een longfunctieonderzoek of bloedonderzoek.

Narcose en/of plaatselijke verdoving

Anesthesie bestaat uit narcose, een plaatselijke verdoving of een combinatie van beide. Bij een narcose bent u helemaal buiten bewustzijn. Bij een plaatselijke verdoving wordt een deel van uw lichaam gevoelloos en bewegingsloos gemaakt.

Narcose

Als u onder narcose gaat, is uw hele lichaam verdoofd. U bent tijdelijk buiten bewustzijn. De narcosemiddelen bestaan uit een slaapmiddel, een pijnstiller en soms een spierverslappend middel. U krijgt het toegediend via een infuus en dan valt u binnen een halve minuut in slaap. U wordt tijdens de hele narcose beademd.

Zodra u slaapt, brengen we daarom bij grote operaties via uw mond een beademingsbuis in uw luchtpijp; bij kleinere operaties wordt er doorgaans een kapje achter in uw keel op de ingang van de luchtpijp geplaatst. Bovendien houden we met bewakingsapparatuur uw hartslag, bloeddruk, ademhaling en temperatuur constant in de gaten.

Plaatselijke verdoving

Wordt u plaatselijk verdoofd, dan bent u bij bewustzijn. Meestal gaat dat via een ruggenprik: het gebied onder de plaats van de ruggenprik wordt tijdelijk uitgeschakeld. Soms wordt er een slangetje ingebracht om langere tijd – ook na de operatie – pijnstillers te kunnen toedienen.

Net als bij een narcose houdt de anesthesioloog uw bloeddruk, hartslag, ademhaling en temperatuur in de gaten om zo nodig de verdoving bij te kunnen sturen.

Bij grote, langdurige operaties worden plaatselijke en algehele verdoving vaak in combinatie toegepast.

Bijwerkingen en gevolgen

In de eerste dagen tot weken na de operatie kunt u pijn in en om het operatielitteken hebben. Ook een longontsteking doordat u niet goed doorademt na de operatie, een abces, een nabloeding en lekkage van gal komen soms voor. Deze bijwerkingen zijn doorgaans goed te behandelen.

Patiënten die een goede conditie hebben, kunnen tot 70% van het leverweefsel missen. Als u last heeft van levercirrose of chemotherapie ondergaat, kan dit minder zijn. Het leverweefsel groeit na de operatie weer aan en binnen ongeveer 3 weken is de capaciteit van de lever volledig hersteld.

Na de operatie

De meeste patiënten blijven de eerste dag na de operatie op de Intensive Care. Daarna wordt u overgeplaatst naar de verpleegafdeling. Als alles goed gaat, mag u over het algemeen binnen 5 tot 7 dagen naar huis.

Na afloop van de behandeling spreken wij samen met u een controleschema af. Deze controle bestaat uit het regelmatig maken van een CT-scan of MRI-scan. Soms is het nodig dat u na de operatie nog chemotherapie krijgt.