Chirurgie

Chirurgie bij maagkanker

Het doel van de operatie bij maagkanker is afhankelijk van het stadium van de ziekte. Wanneer het mogelijk is, zal het doel van de operatie het genezen van de patiënt zijn (in opzet curatieve chirurgie). Wanneer genezing niet meer haalbaar is, is het doel van de operatie het verlichten van klachten (palliatieve chirurgie).

Een operatie vormt het belangrijkste deel van de curatieve behandeling van maagkanker. Om de kans op terugkeer van de ziekte na de operatie zo klein mogelijk te maken, wordt de operatie bij voorkeur gecombineerd met andere behandelingen, zoals chemotherapie of chemoradiotherapie, of beide. Op deze manier wordt de kans op genezing vergroot.

In-opzet-curatieve chirurgie

Het principe van een in-opzet-curatieve operatie bij maagkanker is het verwijderen van het zieke gedeelte van de maag met schone randen (snijvlakken) en zoveel mogelijk lymfeklieren rondom de maag. Afhankelijk van de plaats en uitgebreidheid van de tumor in de maag en de soort maagkanker wordt gekozen voor een gedeeltelijke maagverwijdering of een totale maagverwijdering.

De maagkanker kan in een vergevorderd stadium zijn waarbij het niet meer mogelijk is om te genezen. In samenspraak met de patiënt wordt beoordeeld wat gewenst is en welke palliatieve behandeling passend is.

Palliatieve chirurgie

Wanneer vóór de operatie beoordeeld wordt dat de chirurg niet alle maagkanker kan verwijderen, wordt meestal afgezien van een operatie. Echter, soms wordt in deze situatie toch een operatie voorgesteld, bijvoorbeeld om voedselpassageklachten te verhelpen. Bij de operatie wordt dan óf een beperkt deel van de maag verwijderd óf alleen een overloop van maag naar dunne darm aangelegd.

 

Meer informatie

Hoe gaat een operatie bij maagkanker in zijn werk?

U gaat onder volledige narcose voor deze operatie. Vlak voor het begin van de algehele narcose zal de anesthesist een epiduraal katheter inbrengen voor pijnstilling tijdens en na de operatie.

Beoordeling

Alle maagkankeroperaties beginnen met een inspectie van de buikholte en een beoordeling van de lokale situatie. Zo nodig worden biopten genomen voor snelonderzoek. Voor een in-opzet-curatieve maagverwijdering mogen er geen uitzaaiingen zijn. De maag en bijbehorende lymfklieren worden losgemaakt. Ook het vetschort dat aan de maag hangt, wordt meegenomen.

Gedeeltelijke of totale maagverwijdering

In geval van een gedeeltelijke maagverwijdering wordt de maag op ongeveer 1/3 deel van bovenaf doorgenomen, en in geval van een totale maagverwijdering wordt de slokdarm net boven de overgang naar de maag doorgenomen. In beide gevallen gebeurt het doornemen aan de onderzijde net voorbij de sluitspier van de maag (in het begin van de twaalfvingerige darm). De voedselpassageweg wordt hersteld met een nieuwe verbinding (anastomose) naar de dunne darm.

Verbinding

Na een totale maagverwijdering is altijd een tweede nieuwe verbinding nodig voor de afvoer van gal- en alvleeskliersappen verderop in de dunne darm (Roux-en-Y reconstructie). Na een gedeeltelijke maagverwijdering wordt óf een Roux-en-Y reconstructie gemaakt, óf wordt ervoor gekozen geen extra omleiding te maken (BII-anastomose). Aan het einde van de operatie wordt een drain in de buik ingebracht voor overtollig vochtafvoer, en een voedingssonde in de dunne darm geplaatst (jejunumsonde).

Effectiviteit

De operatie is gericht op genezing door het verwijderen van de tumor en de bijbehorende lymfklieren. Soms blijkt tijdens de operatie dat de kanker toch is uitgezaaid. Dan zal de operatie worden beëindigd of wordt een palliatieve operatie verricht.

Preoperatieve screening

Voorafgaand aan uw operatie heeft u een afspraak met de anesthesioloog op de polikliniek voor een gesprek en kort onderzoek naar uw lichamelijk conditie en eventuele bijzonderheden. De spreekuurassistente meet bij u de hartslag en bloeddruk en vraagt naar uw lengte en gewicht; zo nodig worden deze gemeten.

Basis anesthesieplan

Deze preoperatieve screening duurt ongeveer 20 minuten en vormt de basis voor het anesthesieplan. De anesthesioloog beluistert uw longen en uw hart. Daarnaast wordt uw mond en keel geïnspecteerd voor het beademingsbuisje dat bij de narcose in uw luchtpijp zal worden geplaatst. Ook vraagt de anesthesioloog u naar:

  • Of u eerder onder verdoving bent geweest
  • Welke aandoeningen u nog meer hebt
  • Of u al eerder kankermedicijnen heeft gehad
  • Of u al eerder bestraald bent
  • Welke allergieën u heeft
  • Of u rookt
  • Of u alcohol gebruikt
  • Welke medicijnen u gebruikt

Het is daarom van groot belang dat u precies kunt aangeven welke medicijnen u hoe vaak en in welke dosering gebruikt. Als er aanleiding voor is, krijgt u mogelijk nog meer onderzoeken. Dat kunnen zijn: een elektrocardiogram (ECG of hartfilmpje), een röntgenfoto van uw longen, een longfunctieonderzoek of bloedonderzoek.

Conditie

Voor het herstel na de operatie is het belangrijk dat u vóór de operatie in zo goed mogelijke conditie bent. Als dat met gewoon eten niet lukt, krijgt u bijvoeding in de vorm van drinkvoeding of sondevoeding (via een flexibel slangetje in de maag of dunne darm). En als zelfs dat niet mogelijk is, krijgt u een infuus om voedingstoffen direct in uw bloed te brengen. Dit komt allemaal aan de orde in de preoperatieve screening.

Narcose en/of plaatselijke verdoving

Anesthesie bestaat uit narcose, een plaatselijke verdoving of een combinatie van beide. Bij een narcose bent u helemaal buiten bewustzijn. Bij een plaatselijke verdoving wordt een deel van uw lichaam gevoelloos en bewegingsloos gemaakt.

Narcose

Als u onder narcose gaat, is uw hele lichaam verdoofd. U bent tijdelijk buiten bewustzijn. De narcosemiddelen bestaan uit een slaapmiddel, een pijnstiller en soms een spierverslappend middel. U krijgt het toegediend via een infuus en dan valt u binnen een halve minuut in slaap. U wordt tijdens de hele narcose beademd.

Zodra u slaapt, brengen we daarom bij grote operaties via uw mond een beademingsbuis in uw luchtpijp; bij kleinere operaties wordt er doorgaans een kapje achter in uw keel op de ingang van de luchtpijp geplaatst. Bovendien houden we met bewakingsapparatuur uw hartslag, bloeddruk, ademhaling en temperatuur constant in de gaten.

Plaatselijke verdoving

Wordt u plaatselijk verdoofd, dan bent u bij bewustzijn. Meestal gaat dat via een ruggenprik: het gebied onder de plaats van de ruggenprik wordt tijdelijk uitgeschakeld. Soms wordt er een slangetje ingebracht om langere tijd – ook na de operatie – pijnstillers te kunnen toedienen.

Net als bij een narcose houdt de anesthesioloog uw bloeddruk, hartslag, ademhaling en temperatuur in de gaten om zo nodig de verdoving bij te kunnen sturen.

Bij grote, langdurige operaties worden plaatselijke en algehele verdoving vaak in combinatie toegepast.

Bijwerkingen en gevolgen

Geen enkele operatie is zonder risico’s. Door een groot aantal maatregelen rondom de operatie doen wij er alles aan om de risico’s zo beperkt mogelijk te houden. Mogelijke complicaties zijn een longontsteking, complicaties van het hart of bloedsomloop, een wondinfectie en lekkage van de nieuwe verbinding (naadlekkage).

De operatie kan uw eetlust en smaak beïnvloeden. Het kan ook zijn dat eten pijn doet, of dat u last krijgt van diarree, misselijkheid of braken.

Na de operatie

Uw maag-darmkanaal is veranderd en daardoor bent u sneller verzadigd. U heeft mogelijk geen hongergevoel meer na de operatie. Toch moet u voldoende en gezond eten. Vaak krijgt u daarom nog enige tijd sondevoeding. Dit is vloeibare voeding, waarin alles zit wat u nodig heeft. Hiertoe wordt tijdens de operatie een slangetje via de buikwand direct in de dunne darm geplaatst. Samen met een diëtiste bouwt u langzaam de sondevoeding af en leert u weer ‘gewoon’ te eten. Dit duurt ongeveer 6 maanden.