Chirurgie

Chirurgie bij recidief rectumkanker

De behandeling van teruggekeerde rectumkanker, het recidief rectumkanker, is vaak complex. Dit vereist een multidisciplinaire aanpak van de chirurg, de maag-darm-leverarts en de radiotherapeut gezamenlijk. Soms aangevuld met de uroloog en plastisch chirurg.

Meestal bestaat de behandeling uit bestraling en chemotherapie, gevolgd door een operatie. Bij de operatie verwijderen we het recidief, vaak samen met de organen die er tegenaan liggen. Als het recidief verder van de anus af ligt, is in sommige gevallen alleen een tijdelijk stoma nodig. Wanneer het recidief dichter bij de anus ligt, leggen we een definitief stoma aan.

Meer informatie

Hoe gaat een operatie bij een recidief van rectumkanker in zijn werk?

Bij de operatie verwijderen we het recidief met alle weefsels en organen die eraan vastzitten. Dit kan betekenen dat we niet alleen een stuk darm weghalen, maar ook de blaas, eventueel met prostaat, baarmoeder of eierstokken. Soms is het nodig ook een stuk van het bekken te verwijderen.

De omvang van de operatie hangt af van de grootte en de plaats van het recidief. In veel gevallen gaat het om een zware operatie. Doordat we veel weefsel moeten wegnemen, ontstaat een grote wond. De plastisch chirurg zal in dat geval de wond sluiten en een reconstructie maken.

De diversiteit van de operaties is bij een recidief erg groot. Over de details van uw specifieke behandeling zal uw arts u informeren.

Effectiviteit

De effectiviteit van de behandeling hangt voornamelijk af van de mogelijkheid om het recidief geheel te verwijderen. Over het algemeen zijn deze behandelingen curatief, oftewel genezend, van opzet. In enkele gevallen is een palliatieve behandeling een reële optie.

Preoperatieve screening

Voorafgaand aan uw operatie heeft u een afspraak met de anesthesioloog op de polikliniek voor een gesprek en kort onderzoek naar uw lichamelijk conditie en eventuele bijzonderheden. De spreekuurassistente meet bij u de hartslag en bloeddruk en vraagt naar uw lengte en gewicht; zo nodig worden deze gemeten.

Deze preoperatieve screening duurt ongeveer 20 minuten en vormt de basis voor het anesthesieplan. De anesthesioloog beluistert uw longen en uw hart. Daarnaast wordt uw mond en keel geïnspecteerd voor het beademingsbuisje dat bij de narcose in uw luchtpijp zal worden geplaatst. Ook vraagt de anesthesioloog u naar:

  • Of u eerder onder verdoving bent geweest
  • Welke aandoeningen u nog meer hebt
  • Of u al eerder kankermedicijnen heeft gehad
  • Of u al eerder bestraald bent
  • Welke allergieën u heeft
  • Of u rookt
  • Of u alcohol gebruikt
  • Welke medicijnen u gebruikt

Het is daarom van groot belang dat u precies kunt aangeven welke medicijnen u hoe vaak en in welke dosering gebruikt. Als er aanleiding voor is, krijgt u mogelijk nog meer onderzoeken. Dat kunnen zijn: een elektrocardiogram (ECG of hartfilmpje), een röntgenfoto van uw longen, een longfunctieonderzoek of bloedonderzoek.

 

Narcose en/of plaatselijke verdoving

Anesthesie bestaat uit narcose, een plaatselijke verdoving of een combinatie van beide. Bij een narcose bent u helemaal buiten bewustzijn. Bij een plaatselijke verdoving wordt een deel van uw lichaam gevoelloos en bewegingsloos gemaakt.

Narcose

Als u onder narcose gaat, is uw hele lichaam verdoofd. U bent tijdelijk buiten bewustzijn. De narcosemiddelen bestaan uit een slaapmiddel, een pijnstiller en soms een spierverslappend middel. U krijgt het toegediend via een infuus en dan valt u binnen een halve minuut in slaap. U wordt tijdens de hele narcose beademd.

Zodra u slaapt, brengen we daarom bij grote operaties via uw mond een beademingsbuis in uw luchtpijp; bij kleinere operaties wordt er doorgaans een kapje achter in uw keel op de ingang van de luchtpijp geplaatst. Bovendien houden we met bewakingsapparatuur uw hartslag, bloeddruk, ademhaling en temperatuur constant in de gaten.

Plaatselijke verdoving

Wordt u plaatselijk verdoofd, dan bent u bij bewustzijn. Meestal gaat dat via een ruggenprik: het gebied onder de plaats van de ruggenprik wordt tijdelijk uitgeschakeld. Soms wordt er een slangetje ingebracht om langere tijd – ook na de operatie – pijnstillers te kunnen toedienen.

Net als bij een narcose houdt de anesthesioloog uw bloeddruk, hartslag, ademhaling en temperatuur in de gaten om zo nodig de verdoving bij te kunnen sturen.

Bij grote, langdurige operaties worden plaatselijke en algehele verdoving vaak in combinatie toegepast.

Bijwerkingen en gevolgen

Gezien de complexiteit van de behandeling kunnen verschillende complicaties optreden. De belangrijkste zijn darmlekkage, abcessen en stoornissen in de wondgenezing.

Na de operatie

Voor de verwijdering van een recidief wordt u langere tijd opgenomen, meestal 2 tot 3 weken. Als er complicaties optreden of als de wond niet goed geneest, kan de opname langer duren.

Na uw ontslag krijgt u controleafspraken op de polikliniek met de stomaverpleegkundige, de verpleegkundig specialist en de chirurg. Het schema en de duur van de controles hang sterk af de het stadium van de tumor.

Soms heeft u ook verdere behandeling nodig naar aanleiding van de uitslag van het recidief bij de patholoog.

Fertiliteitspreservatie voor start behandeling

Deze behandeling kan schadelijke effecten voor de vruchtbaarheid geven en daarom bieden we de mogelijkheid voor fertiliteitspreservatie.