Chirurgie

Chirurgie bij baarmoederhalskanker

Het operatief verwijderen van een tumor van de baarmoederhals is altijd ingrijpend. Afhankelijk van het stadium van de kanker kunnen we baarmoeder ook sparen. We nemen de tumor weg en het schijnbaar gezonde weefsel rondom. Dat onderzoeken we daarna op kankercellen.

In een vroeg stadium van de kanker is het mogelijk om de baarmoeder te behouden. Deze operatie heet 'exconisatie'. In een verder gevorderd stadium is de Wertheim operatie nodig. Deze operatie wordt bij kleine tumoren uitgevoerd via een kijkoperatie met behulp van de operatierobot. De baarmoeder wordt dan verwijderd, evenals het bovenste deel van de vagina, een groot deel van het omringende steunweefsel en de lymfeklieren uit het bekken.

Meer informatie

Effectiviteit

Na de operatie is de tumor verwijderd. Het weggehaalde weefsel wordt onderzocht op de aanwezigheid van kankercellen. Als blijkt dat er mogelijk kankercellen zijn achtergebleven, wordt u bestraald, eventueel gecombineerd met chemotherapie. Worden er geen kankercellen in het omliggende weefsel aangetroffen, dan hoeft u niet verder te worden behandeld, maar blijft u wel 5 jaar onder controle.

Preoperatieve screening

Voorafgaand aan uw operatie heeft u een afspraak met de anesthesioloog op de polikliniek voor een gesprek en kort onderzoek naar uw lichamelijk conditie en eventuele bijzonderheden. De spreekuurassistente meet bij u de hartslag en bloeddruk en vraagt naar uw lengte en gewicht; zo nodig worden deze gemeten.

Deze preoperatieve screening duurt ongeveer 20 minuten en vormt de basis voor het anesthesieplan. De anesthesioloog beluistert uw longen en uw hart. Daarnaast wordt uw mond en keel geïnspecteerd voor het beademingsbuisje dat bij de narcose in uw luchtpijp zal worden geplaatst. Ook vraagt de anesthesioloog u naar:

  • Of u eerder onder verdoving bent geweest
  • Welke aandoeningen u nog meer hebt
  • Of u al eerder kankermedicijnen heeft gehad
  • Of u al eerder bestraald bent
  • Welke allergieën u heeft
  • Of u rookt
  • Of u alcohol gebruikt
  • Welke medicijnen u gebruikt

Het is daarom van groot belang dat u precies kunt aangeven welke medicijnen u hoe vaak en in welke dosering gebruikt. Als er aanleiding voor is, krijgt u mogelijk nog meer onderzoeken. Dat kunnen zijn: een elektrocardiogram (ECG of hartfilmpje), een röntgenfoto van uw longen, een longfunctieonderzoek of bloedonderzoek.

Narcose en/of plaatselijke verdoving

Anesthesie bestaat uit narcose, een plaatselijke verdoving of een combinatie van beide. Bij een narcose bent u helemaal buiten bewustzijn. Bij een plaatselijke verdoving wordt een deel van uw lichaam gevoelloos en bewegingsloos gemaakt.

Narcose

Als u onder narcose gaat, is uw hele lichaam verdoofd. U bent tijdelijk buiten bewustzijn. De narcosemiddelen bestaan uit een slaapmiddel, een pijnstiller en soms een spierverslappend middel. U krijgt het toegediend via een infuus en dan valt u binnen een halve minuut in slaap. U wordt tijdens de hele narcose beademd.

Zodra u slaapt, brengen we daarom bij grote operaties via uw mond een beademingsbuis in uw luchtpijp; bij kleinere operaties wordt er doorgaans een kapje achter in uw keel op de ingang van de luchtpijp geplaatst. Bovendien houden we met bewakingsapparatuur uw hartslag, bloeddruk, ademhaling en temperatuur constant in de gaten.

Plaatselijke verdoving

Wordt u plaatselijk verdoofd, dan bent u bij bewustzijn. Meestal gaat dat via een ruggenprik: het gebied onder de plaats van de ruggenprik wordt tijdelijk uitgeschakeld. Soms wordt er een slangetje ingebracht om langere tijd – ook na de operatie – pijnstillers te kunnen toedienen.

Net als bij een narcose houdt de anesthesioloog uw bloeddruk, hartslag, ademhaling en temperatuur in de gaten om zo nodig de verdoving bij te kunnen sturen.

Bij grote, langdurige operaties worden plaatselijke en algehele verdoving vaak in combinatie toegepast.

Bijwerkingen en gevolgen

Na de operatie kunt u problemen hebben met het voelen van uw blaasvulling. Dat komt omdat de zenuwen die u een signaal geven dat uw blaas vol is, beschadigd kunnen zijn tijdens de operatie. Gaat u daarom op vaste tijden naar de wc. Meestal gaat dit ongemak over en komt het signaal dat u moet plassen na een tijdje weer terug.

Als uw baarmoeder verwijderd is bent u onvruchtbaar. Maar ook als uw baarmoeder behouden blijft, kunt u door de radio- of chemotherapie onvruchtbaar worden. Met de verwijdering van de baarmoeder, houdt uw menstruatie op. En als uw eierstokken zijn bestraald, stopt ook de productie van bepaalde geslachtshormonen. Hierdoor komt u vervroegd in de overgang, waardoor u last kunt krijgen van ‘opvliegers’, overmatige transpiratie en het afwisselend warm en koud hebben.

Na de operatie

Het kan vaak maanden duren voordat u weer de gewone dingen kunt doen. Neem dan ook veel rust.

Het is mogelijk dat u na de operatie nog bestraald moet worden. Dit hangt ervan af of er in het weggenomen omliggende weefsel kankercellen zijn aangetroffen.

Fertiliteitspreservatie voor start behandeling

Deze behandeling kan schadelijke effecten voor de vruchtbaarheid geven en daarom bieden we de mogelijkheid voor fertiliteitspreservatie.