Radium Samarium
123

Radiumtherapie

Radiumtherapie is een behandeling voor patiënten met naar de botten uitgezaaide prostaatkanker. Het wordt gegeven als hormonale therapie en/of chemotherapie niet (meer) werkzaam zijn, of wanneer chemotherapie niet gegeven kan worden of niet wenselijk is. De behandeling is alleen gericht op uitzaaiingen in de botten. Een behandeling met radium heeft geen effect op uitzaaiingen die buiten de botten zijn gelegen. Patiënten met grote uitzaaiingen in lymfeklieren of uitzaaiingen in andere organen komen daarom niet in aanmerking voor deze behandeling. Het is aangetoond dat radiumtherapie kan leiden tot een langere overleving met ook een betere kwaliteit van leven. In vergelijking met andere, niet-radioactieve behandelingen heeft radiumtherapie erg weinig bijwerkingen.

Aanvullende onderzoeken en gesprek op de polikliniek

Ter voorbereiding op de behandeling wordt een aantal onderzoeken uitgevoerd. Met behulp van een botscan (skeletscintigrafie) is al vastgesteld dat er uitzaaiingen zijn naar het skelet.

Er wordt ook een CT-scan gemaakt om te beoordelen of er ook uitzaaiingen buiten het skelet zijn. Met bloedonderzoek wordt gecontroleerd of het beenmerg voldoende functioneert en het Radium veilig gegeven kan worden.

Kort voor de behandeling worden alle onderzoeksresultaten op de polikliniek Nucleaire Geneeskunde met u besproken en wordt aan u uitgelegd wat de therapie precies inhoudt.

Voorbereiding op de behandeling

Voor de radiumtherapie hoeft u (thuis) geen bijzondere voorbereidingen te treffen. U mag in de dagen voor aan de behandeling normaal eten en drinken.

Geneesmiddelen die invloed hebben op de botten kunt u in sommige gevallen beter niet gebruiken gedurende enkele dagen voorafgaand aan een radiumbehandeling. Dit wordt met u besproken op de polikliniek. Tijdens de behandeling kunt u alle andere medicijnen gewoon blijven gebruiken.

Het is wel belangrijk dat het lichaam hersteld is van eerdere zware behandelingen. U mag daarom in de zes weken voor een radiumbehandeling geen chemotherapie gehad hebben, en ook geen uitgebreide bestraling (radiotherapie) op een groot deel van uw lichaam. Een gerichte bestraling op één of enkele pijnlijke botten in de zes weken voorafgaand aan de radiumbehandeling is geen bezwaar.

Verloop van de behandeling

Patiënten die in aanmerking komen voor radiumtherapie worden poliklinisch behandeld op de afdeling Nucleaire Geneeskunde van het Antoni van Leeuwenhoek. Gedurende een half jaar wordt zes maal (eenmaal per 4 weken) het Radium-223 toegediend. Dit gebeurt via een infuus in een bloedvat in de arm. Dit duurt enkele minuten. Na de behandeling mag u meteen naar huis.

Straling en leefregels

In de dagen na de behandeling moet u rekening houden met het radium dat zich in het lichaam bevindt, en met de straling die daardoor wordt afgegeven. De straling blijft in uw lichaam. U hoeft geen afstand te houden van andere mensen, kinderen of zwangere vrouwen.

Radium wordt uitgescheiden door het lichaam, voornamelijk via de ontlasting en een heel klein deel via de urine. Daarom moet u in de periode na de behandeling wel rekening houden met extra maatregelen voor hygiëne en veiligheid.

Uw behandelend specialist zal deze eenvoudig te volgen maatregelen met u doornemen en u krijgt deze ‘leefregels’ voorafgaande aan de behandeling thuis gestuurd.

Na elke behandeling

Tussen de behandelingen door komt u op de polikliniek van uw behandelend oncoloog en zal bloedonderzoek worden gedaan om bijwerkingen snel vast te kunnen stellen. Al deze afspraken staan in een behandelschema wat u krijgt toegestuurd.

Bijwerkingen en gevolgen

In vergelijking met andere, niet-radioactieve behandelingen heeft de behandeling met radium erg weinig bijwerkingen.

In sommige gevallen treden na het toedienen wel tijdelijke bijwerkingen op, bijvoorbeeld ziek voelen, diarree, braken en mogelijk een zwelling van de benen, enkels en voeten. Deze bijwerkingen trekken echter meestal snel weg.

Ook kan de pijn in de botten kortdurend iets toenemen. In de weken na de behandeling kan het aantal witte bloedcellen, bloedplaatjes en het hemoglobinegehalte van het bloed dalen. Normaal gesproken merkt u daar niets van.

Uw behandelend arts zal de bloedwaarden zo nodig extra controleren, om vervolgens te bepalen hoe het verdere verloop van de behandeling zal zijn.

Andere nucleaire behandelingen in het AVL